Door: Linde Gonggrijp » Meer blogs van Linde Gonggrijp 
Gepubliceerd: dinsdag 15 november 2011 10:43
Update: dinsdag 15 november 2011 11:07
Wat
zou er toch mis zijn met het inzetten van 'externen' bij de overheid?
Als ik de krantenkoppen moet geloven staan de barbaren aan de poort.
Het vakblad InOverheid schrijft over 'hele legers tijdelijk
ingehuurde krachten' en de ambtenaren in vaste dienst hebben zich dan
ook al teruggetrokken in hun burcht, de slotgracht nog eens extra
uitgegraven en de brug opgehaald: als de overheid dan al compacter
moet worden dan geldt: 'eigen mensen eerst en weg met al die
indringers'.
De Tweede Kamer heeft zich onder aanvoering van de SP opgeworpen als
redder in nood van ambtenaren die hun voortbestaan als
overheidsdienaar worden bedreigd door in 2010 een motie aan te nemen
- unaniem nog wel - waarin de regering wordt gevraagd om de diverse
overheden op te leggen dat nooit meer dan 10 procent van het
personeelsbudget mag worden uitgegeven aan de inzet van 'externen'. In tijden van crisis moeten we snijden waar het vet zit. En dat vet
zit hier', zo beargumenteerde de indiener zijn inzet om de deur voor
de inzet van externen bij de overheid op een zo klein mogelijk kiertje
te zetten.
In
2009 was toenmalig minister Guusje Ter Horst van Binnenlandse Zaken
al gekomen met een 'richtinggevend instrument' waarbij de norm voor
het besteden van geld aan externen voor de ministeries op 13 procent
van het personeelsbudget werd gesteld. Daar mocht wel van worden
afgeweken als het betreffende ministerie er maar een goed verhaal bij
had. In de praktijk bestaat die situatie nog steeds, want haar
opvolger Donner heeft de SP-motie gewoon naast zich neergelegd. Hij
vindt een absolute grens van 10 procent in de praktijk 'onwerkbaar'.
En dus stellen we tegenwoordig elk jaar in mei - op de zogenaamde
verantwoordingsdag- aan de hand van cijfers van de diverse
ministeries vast dat er nog steeds ministeries zijn die niet voldoen
aan het uitgangspunt dat 13 procent eigenlijk de norm zou moeten
zijn. Dit jaar waren dat er vier. Bij de lagere overheden zien we
dezelfde trend. Gemeenten geven 16 procent van hun personeelsbudget
uit aan externen, in de pers beschreven als ' externe krachten
slokken nog altijd 16 procent van het personeelsbudget op'.
'Opslokken', 'opstrijken';
wie als niet-ambtenaar diensten voor de overheid uitvoert, moet er
kennelijk rekening mee houden dat daarmee een vorm van agressie wordt
opgeroepen en dat hij of zij wordt weggezet als profiteur
."Overheidsmanagers moeten begrijpen dat in tijden van crisis
verantwoord moet worden omgegaan met belastinggeld", schrijft
SP-Kamerlid Ronald Van Raak op de site van zijn partij over het
inhuren van externen door de overheid. Ze zijn in elk geval
gewaarschuwd.
Staat
het inhuren van externen door de overheid dan gelijk met verspilling
van gemeenschapsgeld? Hoezo zou iedereen die een rol speelt bij de
dienstverlening van de overheid daar ook in vaste dienst moeten zijn?
Wie de overheid ziet als een bedrijf kan zich ook spiegelen aan het
bedrijfsleven waar de mate van flexibiliteit in het personeelsbestand
veel groter is dan bij de overheid. Waarom zou het slecht zijn als de
overheid de deuren juist wijd openzet voor de inbreng van externen,
ter stimulering van de innovatie en voor het tegengaan van
tunnelvisie? Is er een bedrijfseconomisch argument te bedenken voor
de door de Tweede Kamer gevraagde afdwingbare bovengrens van 10
procent van het personeelsbudget?
Een
slagvaardige, moderne en flexibele overheid zou er naar moeten
streven het aantal externen juist op te voeren, net zoals dat
gebeurt in de succesvolle onderdelen van de Nederlandse economie. We
moeten af van het misverstand dat het bij de inzet van externen bij
de overheid zou gaan om extra personeel. In de praktijk gaat het
gewoon om werk dat gedaan moet worden en we zijn langzaam maar zeker
aan het ontdekken dat dat ook kan worden gedaan door mensen die niet
de ambtenarenstatus hebben. Dat verdient een meer genuanceerde
benadering door de Tweede Kamer en het vraagt ook om het dempen van
de slotgracht rondom de ambtenarenburcht.
Linde Gonggrijp is sinds 1 mei 2008 directeur van
FNV Zelfstandigen.
Deze organisatie behartigt de belangen van ruim 14 duizend zzp’ers
in de sectoren Diensten, Groen, Handel, ICT, Industrie, Vervoer en
Zorg. Linde wil de positie van zzp’ers verstevigen en het belang van
zzp’ers op de arbeidsmarkt meer op de kaart te zetten.
Sinds
april 2010 heeft Linde namens de FNV een zetel in de SER (Sociaal
Economische Raad) om voor de belangen van zelfstandigen op te komen.
Eerder was zij werkzaam als producer van diverse
televisiedocumentaires. Ook heeft ze enkele jaren als freelancer
gewerkt, waardoor ze uit eigen ervaring weet wat de uitdagingen van
zzp’ers zijn. Linde heeft Politieke Wetenschappen gestudeerd aan de
Universiteit van Amsterdam.