Door: Kluwer
De per 1 januari 2006 ingevoerde levensloopregeling geeft de werknemer te mogelijkheid om een deel van zijn loon te sparen voor een sabbatical. Het mogen sparen is een recht van de werknemer.
Aan het sparen zijn wel twee grenzen verbonden. Jaarlijks mag maximaal 12% van het jaarloon in geld worden gespaard en daarnaast geldt als grens dat de totale spaarpot niet meer mag zijn dan 210% van het jaarloon .
Let op: Het maximum van 12% van het jaarloon geldt niet voor de werknemers die op 1 januari 2005 reeds 50 waren, maar nog geen 55 jaar (zie Extra stortingsmogelijkheid werknemers 50-55 jaar ). Tevens geldt het 12% maximum niet als het eventueel vrijkomende prepensioenkapitaal in de levensloopregeling wordt gestort.
1. De 210%-grens
Peildatum voor de beoordeling of al 210% van het jaarloon is opgebouwd, is 1 januari van ieder jaar. Is het spaarsaldo (inclusief aangegroeide rente of ander rendement, ongeacht of deze al is bijgeschreven) nog niet 210% van het loon van het voorafgaande jaar, dan mag de werknemer het kalenderjaar de volledige 12% opbouwen. Hij hoeft er geen rekening mee te houden dat eventueel in de loop van het kalenderjaar, de 210%-grens wordt bereikt of wordt overschreden. Het kan dus zijn dat een werknemer dan meer aanspraak opbouwt dan 210% van het jaarloon van vorig jaar.
Wat is nou precies het loon van vorig jaar? Dat is het brutoloon, of het op de jaaropgave vermelde loon of het loon als bedoeld in kolom 6 van de loonstaat, te weten het loon in geld, vermeerderd met de waarde van niet in geld uitgekeerd loon en fooien en uitkeringen uit fondsen. De werkgever mag zelf kiezen welke van deze drie loonbegrippen hij kiest. Ook de autokostenbijtelling mag tot de grondslag worden gerekend. Indien het loon betrekking heeft op slechts een deel van het jaar, dan mag dit worden herleid naar een jaarloon.
Rendementen
Is op de peildatum, dus op 1 januari, de 210%-grens bereikt, dan kan de werknemer dat jaar niets meer sparen. Rendementen (levensloopverzekering) en de rente (levenslooprekening) mogen onbeperkt worden bijgeschreven; daarvoor is geen bovengrens . Met goede rendementen kan de spaarpot wellicht wel 400% worden; dat is geen probleem.
Nadat de werknemer het tegoed voor verlof heeft 'opgegeten' (of desnoods bij zijn pensioenkapitaal heeft gestort, zie Andere deblokkeringsmogelijkheden ), dan mag hij weer opnieuw beginnen. Het tegoed is dus navulbaar.
Deeltijd werken of demotie
Mocht de werknemer in de loop van het jaar minder gaan werken of een andere functie gaan uitoefenen waardoor zijn salaris daalt, dan leidt dit niet tot een 'vrijval' van de spaarpot omdat door de salarisverlaging de 210%-grens wordt overschreden. Wel moet uiteraard jaarlijks het maximum van 12% van het nieuwe jaarloon worden aangehouden.
Oudere werknemer
Betreft het een werknemer die tien jaar afzit van zijn pensioendatum, dan mag hij wél de 12%-opbouw doen over zijn oude hogere salaris. Een dergelijke oudere werknemer hoeft dus geen rekening te houden met de salarisverlaging als gevolg van demotie of parttime gaan werken . Een voorwaarde hierbij is wel dat hij nog minimaal 50% van de oorspronkelijke arbeidstijd blijft werken. Daarbij wordt getoetst aan de omvang van het dienstverband op de laatste dag vóór de dag die tien jaar voor de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum ligt. Daarmee wordt voorkomen dat de werknemer meerdere keren zijn dienstverband met 50% vermindert, terwijl hij de 12% blijft opbouwen over het hogere loon toen hij nog 100% werkte.
Vroegere/andere werkgever
Voor de 210%-grens tellen ook tegoeden mee die bij andere/voorgaande werkgevers zijn opgebouwd. De werknemer moet daarom altijd schriftelijk aan de werkgever meedelen hoeveel hij bij anderen al heeft opgebouwd. Zo kan de werkgever nauwkeurig toetsen of de maximale omvang van 210% van zijn loon niet al is bereikt. Zie hiervoor ook Verplichte verklaringen van werknemer .
2. De 12%-grens
Voor de beoordeling of in een bepaald kalenderjaar meer dan 12% van het loon is gespaard, is het daadwerkelijke in dat jaar genoten brutojaarloon van belang . Dit is ook het loon dat in kolom 6 van de loonstaat staat, maar dan van het actuele jaar. Als de opbouw in dat kalenderjaar vervolgens leidt tot een overschrijding van de 210%-grens, wordt het 'te veel gespaarde' niet in de belastingheffing betrokken. Er hoeft dus niet gedurende het kalenderjaar een continue toets plaats te vinden of de 210%-grens al dan niet is overschreden. Een eventuele werkgeversbijdrage telt mee voor de 12%-grens.
Maar wordt de 12%-grens overschreden, bijvoorbeeld 14% van het jaarloon sparen, dan moet het meerdere (de 2% teveel) worden terugbetaald aan de werknemer en bovendien hierop loonbelasting/premie volksverzekeringen én premies voor de Zvw vergoeden en afdragen (zie ook hier verderop) . Ook als deze overschrijding het gevolg is van het in de loop van het jaar minder gaan werken.
Door de rente of ander rendement kan het spaarbedrag ook boven de 12%-grens komen (als het rentepercentage hoger is dan de loonstijging), maar dit surplus is geen probleem.
Voorbeeld
A heeft een volledige baan en een loon van € 25.000. A neemt deel aan een levensloopregeling. Op 1 januari 2009 bedraagt het levenslooptegoed, inclusief de daarop tot en met 31 december 2008 gekweekte inkomsten en behaalde vermogenswinsten, € 52.000. Dit is minder dan 210% van het loon op jaarbasis zoals A dat in 2008 genoot. A mag in 2009 nog 12% van het jaarloon over 2009 opbouwen binnen de levensloopregeling. In 2009 spaart A € 3000. Per 31 december 2009 bedraagt het levenslooptegoed € 52.000 + (stel 4% rente) € 2080 + € 3000 = € 57.080. Dit is ook het tegoed per 1 januari 2010. Dit tegoed is hoger dan 210% van het loon op jaarbasis zoals A dat in 2009 genoot. A mag in 2010 derhalve geen additionele bedragen meer sparen. Wel mogen in 2010 en volgende jaren de op het tegoed gekweekte inkomsten en de behaalde rendementen op de levenslooprekening worden bijgeschreven. Op 31 december 2010 bedraagt het tegoed van de levenslooprekening € 57.080 + (stel 4% rente) € 2283 = € 59.363.
Promotie
Halverwege jaar 2010 maakte A echter promotie, waardoor zijn salaris op jaarbasis is gestegen tot € 30.000. Ondanks de omstandigheid dat, gerelateerd aan het nieuwe loon van het laatste tijdvak van 2010, A ultimo 2010 nog niet 210% heeft bereikt, zijnde 210% van € 30.000 = € 63.000, mag A in 2010 toch niets meer sparen. Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid is er voor gekozen om alleen aan het begin van het jaar te toetsen of er in dat jaar inhoudingen mogen plaatsvinden. Wijzigingen in het jaar zijn meer niet van belang voor het antwoord op de vraag of er in dat jaar gespaard kan worden. Omdat het tegoed van de levenslooprekening op 1 januari van het jaar 2011 met € 59.363 lager is dan 210% van het loon op jaarbasis zoals A dat in 2010 genoot, mag A in 2011 12% van € 30.000 = € 3600 sparen op de levenslooprekening.
Halve dagen
B heeft een volledige baan en een loon van € 25.000. B neemt deel aan een levensloopregeling. In de afgelopen jaren heeft B jaarlijks 12% van zijn brutoloon gespaard. Op 1 januari van het jaar 2009 bedraagt het tegoed van de levenslooprekening, inclusief de daarop tot en met 31 december van het jaar 2008 gekweekte inkomsten en behaalde rendementen, € 50.000. Dit is minder dan 210% van het loon op jaarbasis zoals B dat in jaar 2008 genoot. B mag in 2009 nog 12% van het jaarloon over 2009 sparen op de levenslooprekening.
Halverwege 2009 gaat B halve dagen werken. Het loon wordt aangepast tot € 13.000 op jaarbasis. Ondanks de omstandigheid dat achteraf, gerelateerd aan het loon van het laatste tijdvak van 2009, B ultimo 2008 al meer dan het bedrag van 210% van het actuele loon van 2009 heeft bijeengespaard, mag B in 2009 sparen. Bij een werkelijk jaarloon van B in 2009 van (stel 50% van € 25.000 + 50% van € 13.000 =) € 19.000 mag hij in 2009 daarvan 12% sparen = € 2280.
Meer dan 12% gespaard
Als in een kalenderjaar meer dan 12% van het actuele loon is gespaard, dan is er een mogelijkheid tot herstel. Het herstel van de te hoge inhouding moet binnen hetzelfde kalenderjaar plaatsvinden. De herstelmogelijkheid houdt in dat de instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht het te veel ingehouden bedrag terugboekt naar de werkgever, die dit bedrag vervolgens alsnog - onder inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen en premies voor de Zvw - uitkeert aan de werknemer. Wordt er niet hersteld, dan wordt de hele aanspraak (= de hele spaarpot) 'onzuiver', wat als gevolg heeft dat de hele spaarpot wordt belast, en wel als loon uit vroegere dienstbetrekking.
Extra stortingsmogelijkheid werknemers 50-55 jaar
Binnen de levensloopregeling kan jaarlijks maximaal 12% van het loon worden ingelegd. Oudere werknemers zullen dan nauwelijks de mogelijkheid hebben om een aanzienlijke levensloopvoorziening op te bouwen. Vooral voor degenen die niet buiten het overgangsrecht vallen wat betreft de fiscaal gefacilieerde pensioen- en/of VUTopbouw; dat zijn namelijk alleen de 55-plussers per 1 januari 2005. Degene die dan net nog geen 55 waren, hebben dan nauwelijks de mogelijkheid om aan de hand van een voorziening eerder met werken te stoppen.
Hele salaris
Om aan dit probleem tegemoet te komen, krijgen de al wat oudere werknemers die niet onder het overgangsrecht voor VUT- en prepensioenregelingen vallen, een ruimere mogelijkheid om een levensloopvoorziening op te bouwen. Werknemers die op 1 januari 2005 50 jaar of ouder zijn, maar nog geen 55 jaar waren, mogen jaarlijks meer dan 12% van het loon per kalenderjaar sparen; desnoods in een jaar hun hele salaris . De grens van 210% geldt wel. Is deze grens bereikt, dan houdt de opbouw op.
Extra storting van prepensioenkapitaal
Het is mogelijk dat werknemers in de voor hen geldende pensioenregeling de mogelijkheid krijgen om de waarde van hun prepensioenrechten te storten in een levensloopregeling. Voor deze storting geldt niet de stortingsbegrenzing van maximaal 12% van het jaarloon . Het absolute opbouwmaximum van 210% blijft daarentegen wel bestaan. Deze verruimde stortingsmogelijkheid maakt het voor werknemers mogelijk om afgekochte prepensioenrechten individueel en naar eigen keuze via de levensloopregeling aan te wenden voor verlof tijdens de levensloop dan wel verlof voorafgaand aan pensioen.
Door het storten van de prepensioenrechten worden de verdere spaarmogelijkheden van de levensloopregeling wel beperkt. Deze spaarpot is immers gemaximeerd tot 210% van het jaarloon. Als de werknemer van plan is om de levenslooppot voor vervroegd pensioen te gebruiken, is het misschien beter om het opgebouwde prepensioen als zodanig intact te laten. Als de werknemer zijn opgebouwde prepensioenrechten echter voortijdig wil aanspreken om een wereldreis op korte termijn te kunnen maken, dan kan storting in de levensloopregeling een goed idee zijn.
Mocht de werknemer het prepensioenkapitaal tijdens een sabbatical als zijnde levensloopuitkering opnemen, dan is uiteraard de werkgever hierover inhoudingsplichtig; de pensioenuitvoerder is vanaf de 'overdracht' ontslagen van deze plicht.
Let op: De fiscus staat het toe om het opgebouwde prepensioenkapitaal te storten in de levensloopregeling. Dit wil echter nog niet zeggen dat pensioenfondsen hieraan moeten meewerken. Het kan hun cashgeld kosten, omdat als het eenmaal in de levensloopregeling is gestort, het meteen voor een sabbatical kan worden opgenomen.
Reageer
Door:
franswillemsen, 18 okt 2010 11:31
Er verschijnen berichten dat het opnemen van levenslooptegoeden tbv vervroegd stoppen met werken verboden gaat worden.
wat weet u?
en als dat klopt, wat zijn de kleine regels, uitzonderingen of ....??
F. Willemsen, salarisdministrateur