Door: Kluwer
Op grond van de levensloopregeling kan de werknemer een deel van zijn loon sparen voor een toekomstige periode van onbetaald verlof. Over dit spaardeel, het levenslooploon, zijn geen loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd en evenmin de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw. Deze loonheffingen worden uitgesteld tot het moment van opname. Vanwege dit uitstel, heeft de fiscus wel enkele beperkingen en voorwaarden gesteld om deze belastingclaim veilig te stellen. Eén van de voorwaarden is dat de spelregels van de levensloopregeling zijn vastgelegd in een reglement.
Hierna volgt een modelreglement en een model voor het deelnameformulier. Onderaan het artikel kunt u een doument met beide modellen downloaden.
REGLEMENT LEVENSLOOPREGELING
1. Inleiding
Per 1 januari 2006 is de levensloopregeling ingevoerd. Door de levensloopregeling worden werknemers in staat gesteld gedurende hun loopbaan een periode van onbetaald verlof, zoals bijvoorbeeld ouderschapsverlof of studieverlof, financieel te overbruggen. Daarnaast biedt de levensloopregeling werknemers de mogelijkheid zelf te sparen om eerder te stoppen met werken.
Dit reglement bevat de levensloopregeling zoals die binnen <naam werkgever>, (hierna te noemen: werkgever) vanaf 1 januari 2006 geldt.
2. Doel van de levensloopregeling
De levensloopregeling heeft ten doel het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van een periode van extra verlof. Dit houdt dat de werknemer uit zijn/haar brutoloon geld kan sparen om daarmee een periode van verlof financieel te overbruggen. Dit kan bijvoorbeeld zorgverlof, ouderschapsverlof of een sabbatical zijn.
3. Deelname aan de levensloopregeling
Alle werknemers die met de werkgever een arbeidsovereenkomst hebben afgesloten, kunnen aan de levensloopregeling deelnemen.
Ieder jaar moet de werknemer door het invullen en ondertekenen van het deelnameformulier aan de werkgever kenbaar maken of hij/zij in dat jaar mee wil doen aan de levensloopregeling. De keuze om mee te doen kan de werknemer één keer per jaar maken en kan gedurende dat jaar niet worden herzien. De werknemer de kan deelname wel tussentijds beëindigen, door dit schriftelijk aan de werkgever mede te delen.
Deelname aan de levensloopregeling is niet mogelijk als de werknemer in hetzelfde jaar deelneemt aan een spaarloonregeling, bij welke werkgever die spaarloonregeling dan ook loopt.
4. Deelnameformulier
Om mee te kunnen doen aan de levensloopregeling, moet de werknemer het deelnameformulier inleveren bij <naam functionaris of afdeling>. Het deelnameformulier is onlosmakelijk verbonden aan dit reglement en maakt daar onderdeel van uit.
Met het deelnameformulier verklaart de werknemer:
- dat hij/zij geen aanspraken ingevolge een levensloopregeling heeft bij één of meer andere (voormalige) werkgevers of, zo hij/zij deze wel heeft, jaarlijks schriftelijk aan de werkgever verklaart wat de omvang daarvan op 1 januari van het kalenderjaar van de ondertekening van de verklaring is;
- dat hij/zij in het kalenderjaar niet spaart ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964.
Zowel de werknemer als de werkgever ondertekenen het deelnameformulier. Het deelnameformulier is een aanvulling op de arbeidsovereenkomst.
5. Spaarbedragen
De werknemer kan per jaar maximaal 12% van zijn brutoloon sparen. Totaal kan de werknemer niet meer dan 210% van zijn loon van het jaar voorafgaand aan opname sparen. Is op 1 januari van een jaar de 210%-grens niet bereikt, dan kan de werknemer dat gehele jaar volledig meedoen aan de levensloopregeling, ook al komt het saldo daardoor boven de 210% uit.
De toetsing aan de 210%-grens vindt ieder jaar plaats. Op het deelnameformulier vermeldt de werknemer het saldo van de levenslooprekening of levensloopverzekering per 1 januari. Bij dit saldo tellen alle levenslooprekeningen en -verzekeringen die de werknemer heeft afgesloten mee, ook de regelingen waaraan de werknemer bij een andere of een vorige werkgever mee doet. Ook een eventueel nog resterend verlofsaldo op grond van de verlofspaarregeling zoals die tot en met 31 december 2005 bestond, telt mee.
Het spaarbedrag wordt door de werkgever overgemaakt op een door de werknemer op het deelnameformulier aan te wijzen levenslooprekening of een levensloopverzekering. De levenslooprekening en de levensloopverzekering moet de werknemer onderbrengen bij een in de Wet op de loonbelasting 1964 erkende kredietinstelling of verzekeraar. De op de levenslooprekening behaalde rendementen moeten daarop worden bijgeschreven. Het tegoed op de rekening mag uitsluitend bestaan uit het gespaarde loon en de rendementen. De bij de levensloopverzekering behaalde rendementen moeten worden aangewend voor een verhoging van het verzekerde kapitaal. Het verzekerde kapitaal mag uitsluitend bestaan uit het gespaarde loon en de rendementen.
Werknemers die in dienst treden bij de werkgever kunnen de aanspraken op grond van een levensloopregeling bij een eerdere werkgever inbrengen in de levensloopregeling van de werkgever.
In afwijking van hetgeen hiervoor is vermeld, geldt de jaarmaximum van 12% niet voor werknemers die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar, maar nog niet de leeftijd van 56 jaar hebben bereikt.
6. Opname van spaarbedragen
De werknemer mag zelf bepalen hoe hoog de spaarbedrag zijn die hij/zij tijdens een periode van verlof opneemt. De opgenomen bedragen mogen inclusief het door de werkgever doorbetaalde loon en inclusief eventueel ontvangen uitkeringen niet meer bedragen dan het laatstverdiende loon dat hij/zij direct voorafgaand aan de verlofperiode heeft genoten.
Om spaarbedragen te kunnen opnemen, dient de werknemer schriftelijk een verzoek in bij de werkgever. Bij dit verzoek vermeldt de werknemer de reden van opname en de hoogte van de bedragen die hij/zij wil opnemen. Dit verzoek kan samengaan met het verzoek om verlof.
De bank of verzekeraar zal de op te nemen spaarbedragen op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de werkgever overmaken aan de werkgever. De werkgever zal de spaarbedragen vervolgens onder inhouding van loonbelasting overmaken naar de werknemer. Indien de werknemer niet meer in dienst is bij de werkgever, dan zal de bank of verzekeraar de spaarbedragen op verzoek van de werknemer rechtstreeks aan de werknemer of aan de werkgever bij wie hij/zij op dat moment in dienst is, overmaken.
7. Opname van verlof
Met uitzondering van een aantal wettelijke verlofrechten, zoals zorgverlof en ouderschapsverlof, is de werkgever niet verplicht om het verlof toe te staan. Indien de werknemer verlof wil opnemen, kan dit alleen in overleg met en na toestemming van de direct leidinggevende.
De werknemer kan het verlof schriftelijk aanvragen bij <naam functionaris of afdeling>.
8. Opname anders dan ten behoeve van verlof
Naast opname van spaarbedragen voor de financiering van een periode van verlof, kan de werknemer in drie andere situaties spaarbedragen opnemen.
1. Indien de werknemer uit dienst gaat, kan hij/zij zijn/haar levensloopsaldo uitgekeerd krijgen, onder inhouding van loonheffing.
2. Indien de werknemer het levensloopsaldo op de dag voorafgaande aan zijn pensioen of op uiterlijk zijn 65e verjaardag niet heeft opgenomen, wordt het door de werknemer opgebouwde saldo uitgekeerd onder inhouding van loonheffing.
3. De werknemer kan het spaarsaldo gebruiken voor extra stortingen in zijn pensioenregeling, mits dit fiscaal nog mogelijk is.
9. Afkoopverbod
De aanspraken ingevolge de levensloopregeling kunnen niet worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid zijn, anders dan ten behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting bedoelde verpanding.
In afwijking hierop mogen de aanspraken wel worden afgekocht:
1. bij beëindiging van de dienstbetrekking tussen de werknemer en de werkgever;
2. indien de aanspraken worden omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.
10. Slotbepalingen
De werkgever verhaalt op de werknemer eventueel door de Belastingdienst opgelegde naheffingen, boetes en rente als gevolg van het niet-naleven van hetgeen in dit reglement is bepaald.
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2006. De werkgever behoudt zich het recht voor de regeling eenzijdig te beëindigen of te wijzigen.
MODEL ‘DEELNAMEFORMULIER'
Naam werknemer : .............................
Adres : .............................
Woonplaats : .............................
1. Deelname levensloopregeling
De werknemer wil in 2006 deelnemen aan de levensloopregeling.
2. Spaarbedragen
De werknemer wil sparen door:
0 Maandelijkse inhouding op het brutoloon voor een:
0 bedrag van € ............ (maximaal 12% jaarloon)
0 percentage van ......... % van het jaarloon
0 Eenmalige inhouding op de 13e maand voor een:
0 bedrag van € ............ (maximaal 12% van het jaarloon)
0 percentage van ......... % van het jaarloon
0 .........(andere wijze)
3. Levenslooprekening of -verzekering
De ingehouden spaarbedragen moeten door de werkgever worden gestort:
0 Op een geblokkeerde levenslooprekening bij ........................(naam bank) op
rekeningnummer ..............................
0 Als premie voor een levensloopverzekering bij ...................(naam verzekeraar) op
rekeningnummer ..........................., polisnummer ........................
4. Overige verklaringen
De werknemer verklaart verder dat hij/zij:
1. In 2006 geen gebruik maakt van een spaarloonregeling bij de werkgever en/of een andere werkgever en zal dit ook niet gaan doen in 2006;
2. Dat de overeenkomst die hij met de hiervoor genoemde bank of verzekeraar sluit of heeft geslo-ten voldoet aan de bepalingen opgenomen in het Reglement Levensloopregeling;
3. Dat het saldo van zijn/haar levenslooprekening(en) en/of levensloopverzekering(en) per 1 janua-ri 2006 niet meer bedraagt dan 210% van zijn/haar brutoloon in 2005.
Ingevuld en ondertekend te ................(plaats) op ..................(datum).
(naam werknemer)
................................
(handtekening)
..................................
(naam werkgever)
..............................
(handtekening)
...............................................