Afschrijvingen op bedrijfsmiddelen

Door: Kluwer

Een ondernemer schrijft jaarlijks af op de bedrijfsmiddelen waarin hij geïnvesteerd heeft voor de uitoefening van zijn onderneming. Hoeveel hij per jaar kan afschrijven is afhankelijk van de aanschafkosten, de vermoedelijke gebruiksduur en de restwaarde.

Lineaire afschrijving

De meest gebruikte methode om de afschrijving te berekenen is de zogenoemde lineaire methode. De ondernemer schrijft dan per jaar een vast percentage af van het verschil tussen de aanschafkosten en de restwaarde. Als hij het bedrijfsmiddel maar een deel van het jaar gebruikt, mag hij alleen over dat deel afschrijven.

Degressieve afschrijving

Bij degressieve afschrijving wordt steeds een vast percentage van de (ieder jaar dalende) boekwaarde van het bedrijfsmiddel ten laste van het resultaat gebracht. De afschrijving is dan in het eerste jaar dus het meest. Het afschrijvingsverloop wordt hierbij sterk beïnvloed door het bedrag van de restwaarde. De ondernemer mag hierbij niet boven het maximaal toegestane afschrijvingspercentage van 20% (goodwill 10%) komen.

Let op: Voorwerpen met een geringe waarde (maximaal € 450) mag de ondernemer ineens ten laste van het resultaat kan brengen (mits ze geen onderdeel uitmaken van een complex van voorwerpen).

Aanschafkosten

De aanschafkosten bestaan uit:

  • de aanschafprijs, plus
  • de aankoopkosten (bijvoorbeeld de notariskosten bij aankoop van onroerend goed), en
  • de installatiekosten en kosten van het bedrijfsklaar maken (bijvoorbeeld de kosten van plaatsing van het bedrijfsmiddel door een ander dan de leverancier); bij deze kosten kan de ondernemer de BTW optellen, voor zover hij die niet als voorbelasting kan aftrekken.
  • min kortingen en subsidies, ook als hij die achteraf krijgt.

 

De restwaarde

De restwaarde is de geschatte waarde die het bedrijfsmiddel vermoedelijk nog zal hebben op het moment dat de ondernemer het niet meer kan gebruiken voor de uitoefening van zijn onderneming. De leverancier van het bedrijfsmiddel kan meestal goed inschatten wat het bedrijfsmiddel na verloop van tijd nog waard is.

N.B. Voor afschrijving op onroerend goed zijn hiervoor met ingang van 1 januari 2007 speciale regels gesteld.

De vermoedelijke gebruiksduur

In principe is de vermoedelijke gebruiksduur de technische levensduur van het bedrijfsmiddel (in hele jaren), dus de periode totdat het helemaal versleten is. Maar de ondernemer mag uitgaan van de economische levensduur als die korter is dan de technische levensduur. De economische levensduur van een bedrijfsmiddel is verstreken als het bedrijfsmiddel geen economisch nut meer heeft voor zijn onderneming, ook al is het technisch nog in goede staat.

Minimale afschrijvingsperiode

Er zijn sinds de inwerkingtreding van Werken aan winst speciale regels gesteld met betrekking tot de afschrijvingsperiode. Zo geldt voor bedrijfsmiddelen zoals machines en ICT-apparatuur een minimale afschrijvingsperiode van vijf jaar (afschrijvingspercentage maximaal 20%). Voor goodwill geldt een minimale afschrijvingsperiode van tien jaar (maximale afschrijving 10%).

Het is wel mogelijk om deze bedrijfsmiddelen af te waarderen tot een lagere bedrijfswaarde.

[ Bron: Belastingdienst ]

 
  Plaats dit bericht op Twitter Voeg dit bericht toe aan NuJij.nl Voeg dit bericht toe aan linkedin.com Voeg dit bericht toe aan hyves.nl Voeg dit bericht toe aan facebook.com Reageer Stuur dit bericht door per email Stuur door Druk deze pagina af op je printer Print  


Reageer op dit artikel:  

 
 
 


© Copyright DePers.nl