Door: Kluwer
Een ondernemer mag geen btw als voorbelasting aftrekken voor verstrekkingen aan zijn personeel voor privé-doeleinden. Dat geldt dus ook als hij zijn personeel een auto voor privé-ritten en voor woon-werkverkeer ter beschikking stelt.
Voor de berekening van de btw-aftrek moet hij dus de voorbelasting splitsen in een aftrekbaar deel voor zakelijke ritten en een niet-aftrekbaar deel voor privé-ritten (inclusief woon-werkverkeer, want dat wordt voor de omzetbelasting niet als zakelijk aangemerkt). In de praktijk zal dat vaak te omslachtig zijn.
Omdat voor de inkomstenbelasting woon-werkverkeer wel (ten dele) als zakelijk wordt aangemerkt, mag de ondernemer zich niet volledig baseren op de autokostenfictie voor de inkomstenbelasting. Goedgekeurd is dat de ondernemer eerst alle voorbelasting voor de auto aftrekt en aan het einde van het jaar de aftrek voor het privé-gebruik corrigeert met:
- 12% x 25% x catalogusprijs als de autokostenfictie in de inkomstenbelasting geldt (waarmee het woon-werkverkeer van de werknemer gecorrigeerd is geacht);
- 12 % x 10% van de cataloguswaarde als voor de inkomstenbelasting geen bijtelling wegens privé-gebruik van de auto plaatsvindt maar wel sprake is van woon-werkverkeer met de auto;
- 12% x 22% x de catalogusprijs als er sprake is van personeel dat op verschillende of wisselende laatsen arbeid verricht. Voor de ondernemer zelf mag de btw-correctie voor het privé-gebruik ook worden berekend aan de hand van deze formule .
Kostenvergoeding
Als de werknemers aan de ondernemer een kostenvergoeding betalen voor het privé-gebruik van een personenauto van de zaak, is de ondernemer daarover btw verschuldigd (19/119 van de ontvangsten).
Ook als een werknemer zijn eigen auto ten behoeve van de onderneming gebruikt kan de ondernemer geen omzetbelasting als voorbelasting of anderszins terugvragen over een kostenvergoeding hiervoor aan de werknemer.
[ Bron: Belastingdienst ]