Nieuws Actueel

Boek Erik de Vlieger: De vernedering en tegenaanval van een groot zakenman

Erik de Vlieger is succesvol ondernemer met een uitdijend zakenimperium dat inmiddels bestaat uit een vliegmaatschappij, scheepswerf en mediabedrijf. Maar vanaf de dag dat justitie hem op de korrel neemt, wordt alles anders. Aan het eind van de rit wordt De Vlieger onherroepelijk vrijgesproken, maar de beschadiging van zijn persoon is een feit. In het boek 'Tot hier en nu verder' doet hij zijn verhaal. Een zindererende voorpublicatie over de vernedering en tegenaanval van een groot ondernemer.

Erik de Vlieger 9 april 2015

Boekerikdevliegerprikkeldraad

Lees ook:

Hoe Erik de Vlieger 80 miljoen verloor

Wie is daar?’‘Recherche Amsterdam.’Ik deed open. Een rechercheur genaamd Erik van Geffen, kwam binnen. Een klein type met een rossige huid die veel te veel aan de gewichten had gehangen wat op een of andere manier niet strookte met zijn rode gegroefde gezicht en zijn jonge leeftijd, vergezeld door een andere rechercheur wiens naam ik niet meer weet. Ik mocht me om 11.00 uur op het bureau melden, want ze hadden informatie nodig. Of ik een verdachte was? ‘Het wordt u allemaal duidelijk als u op het bureau bent, maar ik denk dat u in hechtenis wordt genomen’, aldus Van Geffen.

De vernederingToen kwam de vernedering. Eenmaal binnen in het hoofdbureau moest ik tegenover een groepje van vier jonge, grijnzende agentjes uit de kleren. Om te checken of ik niet wat had meegesmokkeld. Voor mijn huidige gemoedstoestand is het beter dat ik hier niet langer bij stilsta. Twee dagen lang ben ik verhoord, door twee rechercheurs. De ene heette Van Dam en de andere Hienkes. Ik heb me voorgenomen om die gasten niet te veel te beledigen omdat zij ook maar hun werk deden, maar het niveau van vraagstelling was zo laag dat ik geregeld in de lach schoot en zelfs een keer letterlijk mijn broek liet zakken. ‘Deze vraag is zo stom dat mijn broek ervan afzakt,’ schaterde ik.

Alsof ik in een aflevering van Koefnoen was beland. Mocht ik zo schuldig als de pest geweest zijn, dan waren die klunzen er in ieder geval nooit achter gekomen. Als jongetjes van twaalf ondervroegen ze me over financiële zaken waar ze niets van begrepen. Ergens had deze slapstick wel iets geruststellends, want als dit mijn opponenten waren, kon ik rustig gaan slapen. Ik trakteer het OM bij dezen wederom op een advies want verdachten kunnen alleen goed verhoord worden als de tegenspelers hetzelfde niveau hebben. Dit sloeg helemaal nergens op en naarmate de tijd vordert, realiseer ik me hoe amateuristisch men met mij te werk is gegaan. Doet het OM het nog steeds zo? Ik mag het toch niet hopen!

Het was voorbij voor ik het wist, maar dat gold helaas niet voor de gevolgen ervan want de aangerichte schade was intussen nauwelijks meer te overzien.

OverdenkingenAan alle gebeurtenissen zitten twee kanten. Ik had misschien de schijn tegen. Om te beginnen was ik in korte tijd heel groot geworden met mijn ondernemingen. In de ogen van mensen die daar niet veel van begrijpen, en dat zijn er een heleboel, is dat verdacht. Daarnaast zat ik in het vastgoed, voor Justitie het raakpunt tussen de onder- en bovenwereld. Ook bezat ik een luchtvaartmaatschappij en is dat niet de ideale manier om smokkelwaar binnen te halen?

Nogmaals, tot op de dag van vandaag kan ik de gebeurtenissen niet echt plaatsen. Er moest in ieder geval wel een officiële reden zijn. En die reden werd het café The Raffles. Ik had zogezegd een kroegbaas onder druk gezet. En ze rekenden erop dat ik zou gaan vertellen dat ik als zakenman was afgeperst. Dus daar kwamen de konijntjes uit de hoeden – getooid met disproportioneel zware middelen.

De druk wordt opgevoerdWij schrijven nu februari 2005 en de druk op mij werd tot onmenselijke hoogtes opgevoerd. Justitie viel met volle kracht mijn persoon en mijn bedrijven aan. De fiscus was zo vriendelijk om toevallig op hetzelfde moment met de meest ridicule dingen te komen. Aanslagen, beslagleggingen en een vijftal beschuldigingen, waarvan er overigens binnen 24 uur vier als sneeuw voor de zon verdwenen. De gecoördineerde acties waren onwaarschijnlijk hard. Alsof je tot staatsvijand bent uitgeroepen, zo begonnen ze alles te slopen.

De eigenaar, mijn bedrijven en dus ook alle werknemers. Het management en een aantal zakenpartners begonnen zich ook te roeren. Sommigen zetten de rooftocht op mijn bezittingen in. De media zetten mij vervolgens neer als een man met een luchtje. Verweer daartegen was volkomen zinloos. Alsof het een nationale schrijfsport was, zo bracht men mij in verband met allerlei ongure types. Twitter bestond toen nog niet, dus ik kon ze niet tot de orde roepen. Nu wel!

Leveranciers met openstaande rekeningen zetten meedogenloze middelen in om mij tot betaling te dwingen (wat ook een aantal keren gelukt is). De banken (Rabobank en SNS) kwamen na jarenlang prettig zakendoen met obstructies. En mijn huwelijk plofte uit elkaar.

Zo, dat is ’s ochtends lekker wakker worden, nietwaar? Daar sta je dan. Van het ene op het andere moment. Objectief gezien misschien buitengewoon interessant, maar maak het maar eens mee. Kortom, ik hing in de touwen en het voelde alsof ik de eerste ronde tegen Badr Hari had gebokst en de partij nog tien ronden had te gaan. Het ergste was dat ik met dergelijke situaties totaal geen ervaring had. Was ik dus toch alleen maar een mooiweerspeler? Of begon het echte grote werk nu pas? Nu zeg ik van wel en de toekomst zal het uitwijzen.

Tijdens het hoger beroep twee jaar later (ja, u leest het goed!) dat het OM toch doorzette na het verlies van hun taakstrafeis kwam ik bij het Amsterdamse Hof terecht. De Presidente was een uiterst kundig persoon die onwaarschijnlijk veel van het dossier wist. Ik was na al die jaren van pesterijen al veel vergeten, maar deze vrouw wist echt alles. Zij werd echter geflankeerd door een mederechter en die maakte ruzie met me.

Of dat verstandig was, laat ik maar even in het midden, maar mr. L.A.J. Dun, van wie ik trouwens verder geen niet-integere handelingen heb gezien, maakte een persoonlijke fout door kritiek op mijn leven te hebben. Zo verweet hij me dat ik wel met een heel apart slag mensen omging. Daarmee bedoelde hij vermoedelijk lieden zoals kroegbaas Fernandez en de Israëlische deelgenoot uit het Raffles-dossier. Even dacht ik erover hem op zijn plaats te zetten want mijn werkelijke vriendenkring is klein maar breed. Van een chirurg tot aan een uitkeringstrekker, maar daar had mr. Dun niets mee van doen.

Ik beheerste me en besloot de man niet te wraken of een veeg uit de pan te geven. Het ging mij om het vonnis en ruzie met een rechter leek mij op dat moment niet handig. Na het einde van de zitting en mijn uitgebreide laatstewoord deelde de Presidente mij mee dat men de zitting vanwege de drukte twee weken openliet om dan na drie weken uitspraak te doen. De officiële sluiting was een formaliteit en daar hoefde ik niet bij te zijn.

In de dagen daarna werd ik echter steeds bozer. Waar haalde rechter Dun de brutaliteit vandaan om zich uit te spreken over mijn vriendenkring? Ik besloot een onderzoek in te stellen en tot mijn opperste verbazing bleek deze rechter een persoonlijke vriend te zijn van advocaat Oscar Hammerstein. De advocaat die zelf drie weken in voorarrest had gezeten en die bovendien – vanwege zijn gedrag – bij het advocatenkantoor van de koningin heeft moeten vertrekken.

De koningin wier portret boven mr. Duns hoofd hing tijdens de uitoefening van het beroep in de rechtszaak? Hell no! Dat liet ik niet gaan. Wat dacht die vent wel? Niet dat ik Hammerstein persoonlijk veroordeel want toen ik hem ooit sprak, leek het mij een toffe kerel, maar met Hammerstein als vriend moet je je mond houden over mijn vrienden.

Een prachtig onverwacht cadeau waren de beelden op SBS 6 van Dun en Hammerstein die gebroederlijk de opening van Hammersteins nieuwe gebouw bezongen. Het roofdier in mij was gewekt. En dan moet je echt opletten. Op mijn verzoek schreef mijn raadsman aan de rechtbank dat wij niet wilden dat de zaak werd gesloten en een verlenging eisten van mijn laatste woord. Zoiets kwam zelden voor, aldus mijn advocaat, die het bovendien niet met me eens was. Ik was het wel met mezelf eens en dat werkt altijd makkelijk.

De rechtbank belde direct mijn raadsman en wilde eerst het naadje van de kous weten. Wat had die De Vlieger nou weer in petto? Mijn lieve vriend, mijn advocaat, had zwijgplicht van mij opgedragen gekregen. Maar het kon en zo geschiedde!

De grote dagToen kwam de grote dag. Ik kwam de rechtbank binnen waar de drie rechters aanwezig waren. Ik groette beleefd en keek mr. Dun eens even goed aan. Die begon al wat in zijn stoel te schuiven. De President nam zoals gebruikelijk het woord en meldde de aanwezigen dat ik nog iets te zeggen had.

Mijn toespraak die ik koester en bewaard heb luidde als volgt:‘Geachte leden van het Hof, Ik heb deze extra zitting aangevraagd omdat ik me zorgen heb gemaakt vanwege het karakter van de eerste opmerkingen van mr. Dun en in mindere mate van mevrouw Wolbers (ik keek vanaf dat moment hulprechter Dun meer dan indringend aan). Hier heb ik de laatste tijd slecht van geslapen en u mag gerust weten dat ik een grote verbetenheid heb ontwikkeld na bijna zeven jaar het kruisje ‘onschuldig’ achter mijn naam te hebben. Echter daarin ga ik niet zover om me zomaar te laten beledigen door iemand die officieel over een belangrijk gedeelte van mijn toekomst mag oordelen. Ik verlies nog liever dit proces dan mijn waardigheid en ziet u mijn commentaar ook als een verlenging van mijn laatste woord waar ik recht op heb.

U verweet mij iets met de opmerking ‘u gaat wel met een heel apart slag mensen om’. Hoe kunt u dit zeggen? Komt dit omdat u allemaal spannende namen in mijn dossier heeft gelezen? Namen die door de politie maar zijn ingebracht om de zaken oneerlijk te beïnvloeden, en totaal onbelangrijk zijn als het gaat om het spreken van recht inzake mijn persoon?

Misschien heb ik wel een paar vreemde mensen in mijn vriendenkring toegelaten, maar ik kan u mededelen dat deze vriendenkring bestaat uit verschillende mensen die ik goed genoeg vind. Uw waardeoordeel over het slag mensen is een absoluut vooroordeel jegens mij en misschien kunnen we het daarom eens hebben over uw vriendenkring. Mr. Dun (en ik keek hem aan zoals Marco van Basten naar een voetbal kijkt), u presteert het om op televisie, tijdens een kantooropening van Oscar Hammerstein, gezamenlijk en uitbundig met deze advocaat te gaan zingen. Zwaaiend met een glas dure champagne.

Buiten het feit dat ik dit niet handig vind, zal ik u echter hierom niet beoordelen. Het is namelijk uw eigen vrijheid met wie u omgaat, maar ik adviseer u derhalve stellig om niet over mijn vriendenkring te beginnen want bij het niveau van Hammerstein, en al helemaal dat van zijn compagnon Spong, wil ik in geen geval horen. In 2005 ben ik bij Oscar Hammerstein geweest. Wat heb ik daar gedaan? Toen ik vernam dat Spong in opdracht van Fernandez zich als benadeelde partij zou stellen, ben ik naar de heer Hammerstein gegaan om dit tegen te gaan.

Ik heb hem het karakter en de sporen van ellende van Fernandez uitgelegd en de heer Hammerstein beloofde mij dat hij dit met zijn toenmalige compagnon Spong zou bespreken. Later heeft een getuige in de eerste aanleg van mijn proces nog verklaard dat Spong het voor Fernandez op een zogenaamde ‘no cure, no pay’ zou doen. Logisch want Fernandez heeft geen geld en Spong/Hammerstein eisten gewoon een gedeelte van de claim op mij. Een juridisch delict en ook nog eens een schande voor een advocaat en dat zijn dan vrienden van u, meneer Dun.

Nogmaals ik veroordeel uw leven niet maar spreek dan ook niet over het mijne. Meneer Dun, u staat met Hammerstein samen te zingen op televisie bij SBS6 tijdens de opening van zijn kantoor. Dan kunt u zich toch wel voorstellen dat bij mij al het geloof in de rechter verdwijnt die wat over mijn privéleven meent te zeggen?

Sterker nog: (stemverheffing) u bent mede mijn rechter en uw vriend is een eisende benadeelde partij in dezelfde zitting! Vindt u dit normaal? Ik niet, meneer Dun. Wat ik van u vraag is of u mij kunt overtuigen van uw onafhankelijkheid en onbevooroordeeldheid. Ik wil niet dat u zich verschoont en ik wil u het liefst niet wraken. Ik wil dat u een oordeel geeft over de casus over mijn persoon en dat scharniert zich om een meeting bij mij op kantoor in het jaar 2000. Meer wil ik niet dat u doet. Ik vraag het Hof dan ook bij dezen om met mij de inhoudelijke discussie aan te gaan over de opmerking van de heer Dun zodat ik zeker weet dat u een juist oordeel kunt geven over deze zaak die nog niet eens bij een politierechter zou komen als het Erik de Vlieger niet was geweest.Dank u wel.’

Stilte.

De President van de Rechtbank keek mij doordringend aan. Zo voelde het. Ik kan het me verbeeld hebben maar het leek alsof in haar gezicht geschreven stond: ‘Nee Vlieger, jou gaan we niet wegdoen. Jij moet nog even blijven want wat jij hier flikt, is de reden waarom ik dit beroep heb gekozen.’ Ze maakte alles in één keer goed met een fantastische opmerking: ‘Meneer De Vlieger, mijn excuus hoe u dit heeft gevoeld, maar een rechtbank heeft nou eenmaal de neiging om op de vestjes te spugen van mensen, zeg maar… van uw statuur, om eens extra te kijken waar het allemaal echt zit. Daar is niets abnormaals aan.’

Ze bleef mij aankijken, ze knipperde niet en ik ook niet. Een paar seconden. Onze ogen waren in gesprek zonder te bewegen. Kracht ontmoette kracht… Ze gaf me de bevestiging die ik zocht en ze gaf me indirect ook nog eens te kennen niet te veel te zeuren. Ik accepteerde dat zonder tegenspraak en bedankte alle rechters voor hun tijd. Meneer Dun knikte mij opgelucht toe want wraking op deze gronden had een publiciteitsstorm teweeggebracht. Daar had ik hoogstpersoonlijk zorg voor gedragen, dat wist mr. Dun ook wel.

Ik knikte vriendelijk en verliet de rechtszaal. Mijn advocaat, die het mij eerst allemaal had afgeraden, haalde ook opgelucht adem. Drie weken later volgde vrijspraak en de afgang voor het OM was compleet, maar daar maalden ze bij het OM in het geheel niet om want het is toch hun geld en reputatie niet.

Maar wat is nu eigenlijk mijn vooraf aangekondigde spectaculaire eindconclusie? Het is een vreemde, ik geef het toe, maar daarom niet minder waar. Ik had namelijk in mijn eigen proces een rechter vrijspraak gegeven. Ik wraakte hem niet en zodoende spaarde ik hem. Ik deelde hem rustig mee dat ik hem met rust liet. Ik oordeelde over zijn toekomst en hij niet over de mijne. Dat heet een situatie omkeren.