Nieuws Actueel

CBS: Piketty heeft (een beetje) gelijk

Wilco Dekker 26 november 2015

Thomaspikettycbsonderzoek1065

Het verschil is niet heel groot, maar toch: de stelling van de Franse econoom Thomas Piketty dat de inkomsten uit vermogen sneller groeien dan die uit arbeid gaat ook voor Nederland op, schrijft De Volkskrant.

Dit blijkt uit het onderzoek Ongelijkheid tussen huishoudens vanuit verschillende concepten, dat het Centraal Bureau voor de Statistiek woensdag publiceerde. Tussen 2005 en 2012 groeide het inkomen uit vermogen met 3 procent, heeft het CBS berekend. Het inkomen uit arbeid steeg in diezelfde periode met 2 procent.

GloriejarenDaarmee wordt de stelling van Piketty onderschreven dat het rendement op kapitaal hoger ligt dan het inkomen uit arbeid. De verschillen tijdens de onderzoeksperiode zijn wel groot: tijdens de gloriejaren, voor het uitbreken van de kredietcrisis (2005 - 2008), daalde het inkomen uit vermogen juist fors: met 6 procent. Dit kwam vooral doordat meer (hypotheek)rente moest worden betaald. Het inkomen uit arbeid - de lonen dus - steeg in die jaren met 5 procent. In de crisisjaren (2008 - 2012) bleven de loonstijgingen steken op nul, terwijl het inkomen uit vermogen 11 procent groeide.

De uitkomsten van het CBS-onderzoek zijn nieuw voer voor de discussie rond Piketty; critici van de Franse stereconoom voerden eerder aan dat Nederland niet is onderzocht voor de bestseller Capital in the Twenty First Century.

PensioenfondsenHet CBS tekent daarbij aan dat ook de rijken door de crisis werden geraakt: in 2012 ontvingen ze in totaal 4 miljard euro minder dividend dan voor de crisis, in 2005. Dat het inkomen uit vermogen per saldo toch iets sneller steeg dan dat uit arbeid, komt vooral door de rendementen van de pensioenfondsen. Het inkomen uit beleggingen van pensioengeld lag in 2012 ruim 10 miljard hoger.

Dat kwam ten goede aan alle huishoudens met pensioenvermogen, niet alleen aan de rijken. Piketty keek in zijn befaamde studie vooral naar de topinkomens: de hoogste 10 procent of zelfs de rijkste 0,1 procent. Het CBS kan dat niet, omdat er naar vijf 20-procentgroepen wordt gekeken.

InkomensverschillenAls het gaat om inkomens, concludeert het CBS dat de inkomensverschillen tijdens de crisis kleiner zijn geworden. Na 2008 verdienden de 20 procent huishoudens met de hoogste inkomens 2,5 keer zo veel als de 20 procent met de laagste inkomens. Daarvoor was die factor 2,8. Het totale inkomen lag in 2012 iets lager dan in 2008, maar de onderlinge verschillen zijn groot.

Voor mensen in vaste dienst veranderde er weinig, behalve als ze werkloos werden. Bij de bovenste 20 procent zitten veel zelfstandigen, die hun inkomen door de crisis zagen dalen. Los daarvan zijn de gekrompen verschillen te danken aan de overheid, in de vorm van belastingen, premies en zorgkosten. Zonder overheidsingrijpen verdienden de hoogste inkomens met 86 duizend euro twaalf keer zoveel als de laagste inkomens, na de herverdeling door de overheid is dat dus nog maar 2,5 keer. Overigens kunnen mensen met een laag inkomen best een hoog vermogen hebben; denk aan gepensioneerden met een afgeloste hypotheek.

Vrij vermogenNog een opvallend punt uit het CBS-onderzoek: de vermogensongelijkheid wordt niet kleiner als de pensioenen worden meegeteld, maar groter. Terwijl de inkomensongelijkheid in Nederland internationaal gezien relatief klein is, is de kloof tussen arm en rijk bij de vermogens juist groot. Critici relativeren die kloof door erop te wijzen dat de meer dan 1.000 miljard euro pensioenvermogen daarbij niet wordt meegeteld. Alleen 'vrij vermogen', dat direct kan worden uitgegeven, telt mee in de vermogensstatistieken. Pensioen zit vast tot later. Tellen die honderden miljarden pensioengeld wel mee, dan is de vermogensongelijkheid aanzienlijk kleiner, was tot nu toe de aanname, na onderzoek van onder meer de Leidse hoogleraar Koen Caminada.

Maar uit het CBS-onderzoek blijkt dat de pensioenen de verschillen juist vergroten. Met de pensioenen erbij heeft de rijkste 20 procent van Nederland 7,8 keer zo veel vermogen als de armste 20 procent. Zonder de pensioenen is dat 'slechts' 6,4 keer. Het verschil zit er waarschijnlijk in dat Caminada en zijn medeonderzoekers keken naar huishoudens met het meeste en het minste vermogen.

Wat raarHet CBS gaat uit van de inkomens van huishoudens. Caminada zegt in reactie op het CBS dat het 'wat raar' is om de vermogensverdeling te rangschikken naar inkomenshoogte. 'Dat levert allerlei Babylonische spraakverwarringen op', aldus de hoogleraar. Volgens hem is het 'veel te ruw gesteld' dat de inkomensverschillen groter worden door pensioenrechten mee te nemen.