Nieuws Actueel

En wéér gaan leiders de wereld redden...

Meer dan 140 wereldleiders verzamelen zich vandaag in een ongekend streng bewaakt Parijs om voor de zoveelste keer de wereld te redden: het is weer tijd voor de jaarlijkse klimaattop. Gaat er deze keer wél iets veranderen?

FRANS BOOGAARD 30 november 2015

Klimaatparijstopco2cop211065

In Kyoto (1997) zou de wereld ook al worden gered. In Kopenhagen (2009) opnieuw. Het resultaat? Een nog steeds immens groeiende CO²-uitstoot. Wereldwijd een ongekend sterke toename van weersextremen (orkanen, grote droogte, of juist overvloedige regenval). Bovendien was 2014 het eerste jaar met een temperatuurgemiddelde van 1 graad boven het gemiddelde van voor het industriële tijdperk. Dat lijkt niet veel, maar het is wel de helft van wat de wetenschap aanhoudt als min of meer 'veilige' bovengrens: tot 2 graden temperatuurstijging kan de wereld de gevolgen aan, daarboven worden ze onbeheersbaar.

In de aanloop naar 'Parijs' is er aan optimisme geen gebrek. Want voor het eerst leggen 177 landen die samen 95 procent van de mondiale CO²-uitstoot vertegenwoordigen zich vast op concrete uitstootbeperking. Heel wat anders dan in Kyoto, aldus de Spaanse Eurocommissaris Klimaat en energie Miguel Arias Cañete. "Toen ging het om 38 landen, samen goed voor 12 procent van de CO²-uitstoot."

OnvoldoendeDaar houdt het goede nieuws meteen ook wel op. Want zelfs als die 177 landen elk hun beloften zouden nakomen, dan schiet de temperatuur nog steeds 3 graden omhoog.

Hier hebben de meeste van de bijna 200 deelnemende landen zich al bij neergelegd. Het belangrijkste is dat ze het definitief eens worden over hun nieuwe aanpak, die breekt met 'Kyoto'. Toen was de leidende gedachte om via marktwerking tot minder CO²-uitstoot te komen - eigenlijk door in klassiek-marxistische zin van schone lucht een productiefactor te maken. Net als kapitaal en arbeid zou ook het gebruik van schone lucht geld gaan kosten. Bedrijven, energieproducenten, transport: vervuilers moesten betalen.

Het systeem misluktte om twee redenen. Overheden verpestten de handel in emissierechten door grote aantallen gratis weg te geven, waardoor de prijs veel te laag werd: het loonde om kolen te blijven stoken.

En, zoals Cañete zegt: in Kyoto deden te weinig landen mee. Ontwikkelingslanden - ook grote, zoals China - redeneerden: jullie, industrielanden, hebben het probleem veroorzaakt, los het dus ook maar op. Omgekeerd gebruikte Amerika die weigering van ontwikkelingslanden als alibi om ook niks te doen.

HulpfondsIn Parijs liggen nu nog drie grote vraagstukken op tafel. Het eerste - hoe verlossen we de industrie- en ontwikkelingslanden uit hun dodelijke houdgreep? - is op papier al opgelost. Op de klimaattop van Kopenhagen (2009) beloofden de industrielanden een hulpfonds waaruit ontwikkelingslanden kunnen putten om zich te wapenen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Het probleem is dat er geen contributieafspraken zijn. Als rijke landen niet betalen, zullen de ontwikkelingslanden niet meedoen.

Het tweede grote vraagstuk is: hoe garanderen we dat beloften deze keer geen dode letter blijven? Er zijn geen sancties, voor een juridisch bindend VN-raamwerk is onvoldoende steun.

En dan het derde en grootste vraagstuk: hoe komen we alsnog ónder de maximaal 2 graden temperatuurstijging in plaats van 1 graad erboven? Het voorstel is: een 5-jaarlijkse evaluatie, en dan de beperking van de CO²-uitstoot net zolang opschroeven tot de veilige grens is bereikt. Maar ook hierover is nog lang geen overeenstemming bereikt.