Nieuws Actueel

Het leven vanuit de frietkar in de Achterhoek

Op kermissen, festivals en markten zie je ze nog wel: de vertrouwde frietkarren. Toch dreigt dit fenomeen uit het Achterhoekse straatbeeld te verdwijnen.

Van onze redactie 11 november 2015

Freek rutten

Net als in België zijn er in Nederland steeds minder frietkarren. „Steeds meer ondernemers kiezen voor een vaste locatie”, zegt Frans van Rooij, voorzitter van ProFri, de vereniging voor professionele frituurders. „Als je van plek naar plek gaat, heb je maar een beperkte groep klanten en is het moeilijker je assortiment uit te breiden. Vergunningtechnisch wordt het ook niet makkelijker. Volgens Van Rooij hebben patatbakkers het lastig vanwege het verdienmodel. „Als je een frietje voor 2 euro verkoopt, kun je er geen 3 euro mee verdienen. We zouden in Nederland trotser moeten worden op het frietje.”

Drie ondernemers uit de Achterhoek met frietkarren delen hieronder hun ervaringen.

Auto’s, nagels én friet

Alsof ze het beiden nog niet druk genoeg hadden, besloten Ramona en Bart Wenneker in een frietkar te gaan staan op industrieterrein Hofskamp in Varsseveld. Hij zit in de autohandel, zij heeft een eigen nagelstudio. Toch besloten ze van dinsdag tot en met vrijdag ook nog een paar uur per dag snacks te gaan verkopen.

Patatje van Bartje draait nu acht weken. „Het is dé passie van mijn man”, verklaart Ramona het avontuur. „Maar uiteindelijk heb ik gezegd: ik ga je wel helpen.” Ook al hebben ze nog amper reclame gemaakt, Ramona en haar man zien dat er genoeg vrachtwagenchauffeurs, vertegenwoordigers en andere werklieden hun kar weten te vinden. „Onze openingstijden zijn gebaseerd op de pauzes van de bedrijven hier in de buurt”, zegt Ramona. „Soms kan hier maar zo twintig man staan. Dan is het echt aanpoten met z’n tweeën. We hebben een aantal klanten mijn telefoonnummer gegeven, met de insteek dat er later nog wel een ander nummer zou komen. Nou, iedereen belt me al op om een bestelling te doen. En dan hebben we nog niet eens een website.”

Al gaat het hen voor de wind, Ramona en Bart zouden niet van de friet kunnen leven. „De slechte maanden moeten nog komen. We zouden ook nog wel op een markt willen staan, maar daar kom je niet tussen. Ook willen we huisparty’s gaan doen. Dat mensen ons voor feestjes van vijftig tot honderd man inhuren.”

Waarom er steeds minder frietkarren het straatbeeld sieren? Ramona: „Veel gemeenten houden dat tegen. Ik weet hoe het is om een frietkar af en toe te moeten verplaatsen. Dan moet de stroom aan en weer uit. Dat schiet niet op.”

'Patat zou dezelfde prijs als vis moeten hebben'

Toen hij twee jaar geleden met zijn frietkar in Netterden kwam staan, had ieder huishouden er nog een eigen frituurpan. Inmiddels heeft Freek Rutten afgedwongen dat vrijdag patatdag is in het dorp. En, nog belangrijker, dat ze de patat bij hem halen. „Mensen vinden het fijn dat ik hier sta”, zegt de Gendringenaar. „Er is hier verder helemaal niks meer. De mensen die hier komen, hebben alle tijd voor een praatje. Ze moeten trouwens ook wel komen, anders kan ik niet bestaan.”

Het is geen vetpot voor Rutten. Hij moet het hebben van de donderdagen bij zijn eigen huis en de vrijdagen in Netterden. Maar voordat hij ook maar één frietje verkoopt, heeft hij al uren werk verricht en tal van kosten gemaakt.

„De investeringen zijn eigenlijk te hoog en de inkomsten te laag om hier in Netterden staan. Het is dat ik sinds een tijdje stroom van de voetbalvereniging mag gebruiken voor 3 euro. Ik had een aggregaat, maar een omwonende had last van het geluid.”

Rutten heeft de inwoners van Netterden hoog zitten. Als hij iemand aan ziet komen, weet hij al wat er in het vet moet. „Het is de truc kwaliteit te verkopen, waardoor mensen terugkomen. Even een balletje met een frietje en een colaatje pakken, dat moet het idee zijn. Het moet altijd goed zijn, want alles ligt hier gevoelig. Als je één keer een bamischijfje niet goed maakt, dan is het afgelopen.”

Als tiener werkte Rutten eerst in een vishandel, daarna in de bouw. Twee jaar geleden kocht hij een kleine frietkar. “Weer of geen weer, ik sta er altijd. Maar makkelijk is het niet, dit is geen vishandel. Eigenlijk zou een patatje dezelfde prijs als een visje moeten hebben. Dan zou ik met een glimlach naar huis kunnen rijden.”

Wassen, schillen, pitten, snijden

‘Hebben jullie ook vis?’ Het komt regelmatig voor dat de frietwagen van Ellen Betlehem wordt aangezien voor een viskar. Maar als ze de mensen eenmaal voor haar kar heeft staan, verkoopt de zelfgemaakte friet zich vanzelf. Het staat weliswaar niet op de schijf van vijf, maar een goed frietje met wat zout en zónder saus is volgens de onderneemster zeker niet ongezond.

Betlehem nam een paar maanden geleden Kom es bie Pommes over van een vriendin. Daarvoor hielp ze al regelmatig mee. Zo leerde ze de voor- en nadelen van een mobiele frietzaak kennen. „Mensen zien je alleen maar in de kar staan, maar de werkzaamheden die je dan uitvoert, zijn maar een derde van alles”, zegt de patatbakker die op donderdagmiddag altijd in Toldijk staat.

De avond voordat Betlehem met de wagen op pad gaat, koopt ze de aardappels in. Deze worden gewassen, geschild, gepit en door de snijmachine gehaald. ’s Ochtends worden ze voorgebakken en dan weer gekoeld. „Sinds kort zijn we tussen de middag open en daarna pas weer aan het eind van de middag. Het is te rustig om de hele middag de ovens aan te houden. Dat kost te veel geld. Rijk word je hier niet van. Maar een goed praatje en de gezelligheid maken veel goed. Het geeft een extra kick als mensen terugkomen, omdat je goede patat hebt.”

Een vaste frietzaak ergens? Betlehem niet gezien. „De huur die je dan betaalt, ligt een stuk hoger dan het bedrag voor een standplaats. En zo veel patatwagens zijn er niet.”