Nieuws Actueel

Nog niks veranderd in fabrieken in Bangladesh 2 jaar na ramp

Van onze redactie 22 april 2015

Image 4872704

Ook is slechts in 10% van de bedrijven een vakbond actief. Arbeiders die vakbonden proberen op te zetten, worden bedreigd of mishandeld.

Dat stelt Human Rights Watch (HRW) in een rapport dat dinsdag verschijnt. Bij het instorten van Rana Plaza op 24 april 2013 kwamen 1.100 mensen om het leven. In het bedrijf werd goedkope kleding gemaakt voor de westerse markt. De overheid van Bangladesh stelde na de ramp meer inspecties in van de honderden textielfabrieken in het land. Ook werd het minimumloon verhoogd.

De 166 werknemers van 44 verschillende bedrijven die HRW sprak, klagen echter nog steeds over gedwongen overwerk, het uitblijven van salaris, het weigeren van toiletbezoek en fysieke mishandeling. "Als Bangladesh een 2e Rana Plaza wil voorkomen, moet het ervoor zorgen dat werknemers in vrijheid hun zorgen kunnen uiten over de veiligheid en de werkomstandigheden in de fabriek", stelt Phil Robertson van HRW.

Vakbonden Tot de verbeteringen die werden afgesproken met de fabrikanten en de Westerse kledingmerken na de ramp bij Rana Plaza, behoorde ook dat arbeiders zichzelf zouden kunnen verenigen in vakbonden. Vakbondsleden klagen echter over bedreigingen, soms door de eigenaren van bedrijven, soms door ingehuurde knokploegen. "Ze kwamen bij mijn huis langs en zeiden dat als ik met inschrijfformulieren in de buurt van de fabriek zou komen, ze mijn handen en voeten zouden breken", aldus een van de werknemers.