Toen Daan Broekman eind januari zijn oproep tot compensatie lanceerde via een aangetekende brief aan de Belastingdienst – gepubliceerd als modelbrief op de website van branchevereniging INretail – kreeg hij veel bijval. Zijn punt: ondernemers die tijdens de coronapandemie direct hun btw- en loonheffing betaalden, zijn slechter af dan collega’s die voor uitstel kozen en later (deels) kwijtschelding kregen. „Ik voel me gestraft”, stelde Broekman. „Waarom zou ik nu nog belasting betalen als iemand anders het niet hoeft en er geen compensatie is voor wie wél betaalde?”
Iets als ondernemer voelen is alleen iets anders dan ergens recht op hebben. Snijdt de brief van Broekman juridisch hout en is compensatie haalbaar? Ton Tekstra, hoogleraar Fiscaal insolventierecht en fiscaal advocaat Diana Jansen vinden dat de brief in de huidige vorm nauwelijks kans maakt.
Lees ook: Daan betaalde wél tijdig zijn coronasteun terug, nu eist hij compensatie: ‘1,5 miljoen euro verdampt’
Vergelijkbare ondernemers zijn geen gelijke gevallen
Naast de compensatie wil Broekman van de Belastingdienst weten waarom zijn bedrijf anders wordt behandeld dan ondernemers die een deel van hun coronabelastingschuld kwijtgescholden kregen. Ook wil hij uitleg over de regels en het beleid achter dat verschil in behandeling. In zijn brief beroept hij zich op drie rechtsbeginselen. Volgens Jansen zijn die alleen „totaal niet onderbouwd”.
Zo stelt Broekman dat ‘vergelijkbare ondernemers zeer verschillend zijn behandeld’. Jansen legt uit: „Vergelijkbare ondernemers zijn niet automatisch gelijke gevallen. Er moeten feitelijk en rechtens nagenoeg identieke omstandigheden zijn – zoals dezelfde onbetaalbare coronabelastingschulden – en die ontbreken in de brief.”
Over het evenredigheidsbeginsel zegt Tekstra: „Dat gaat erom of een regeling in verhouding staat tot het doel dat ermee wordt nagestreefd. Een rechter bekijkt zoiets meestal per individueel geval. In deze situatie gaat het echter om brede gevoelens en niet om concreet aangetoonde oneerlijke gevolgen voor één specifieke ondernemer.”
Uiteindelijk is het je eigen verantwoordelijkheid om advies in te winnen, bijvoorbeeld bij een fiscalist
Diana Jansen Fiscaal jurist
Over het fair-playbeginsel, waarbij Broekman stelt dat hij onvoldoende was geïnformeerd over gevolgen van direct betalen, is Jansen helder: „De Belastingdienst heeft een voorlichtende taak, en daarin is veel gecommuniceerd via verschillende kanalen. Uiteindelijk is het ook je eigen verantwoordelijkheid om advies in te winnen, bijvoorbeeld bij een fiscalist.’’ Tekstra ziet dat ook zo: „Er is vanaf maart 2020 duidelijk gezegd dat ondernemers uitstel konden aanvragen als ze problemen hadden.” Ook over kwijtschelding is de Belastingdienst volgens de hoogleraar altijd helder geweest.
Kwijtschelding coronaschulden is zware procedure
Beide experts benadrukken dat sanering geen ‘recht’ is voor wie schulden heeft, maar een uitzonderlijke en zware procedure. Alleen als een bedrijf levensvatbaar is, de schuldenlast groot genoeg (veelal vanaf 500.000 euro), de normale bedrijfsvoering onmogelijk is geworden en de oorzaak niet verwijtbaar is, willen schuldeisers – zoals de fiscus – meewerken.
Daarnaast speelt dat de Belastingdienst pas kwijtscheldt na toetsing van toekomstperspectief: Tekstra: „Ze werken mee omdat ze verwachten dat de onderneming daarna weer belastingen gaat betalen. Als er geen perspectief is, gebeurt het niet.”
Lees ook: Michiel Hordijk (IMK) over hulp bij schuldenlast: ‘Kritiek op ondernemer die regeling heeft getroffen is heel kwalijk’
‘Civiele procedure heeft weinig kans van slagen’
Is er in de wet dan geen enkele ruimte? Naar de civiele rechter stappen is één van de weinige juridische opties, omdat je tegen een invorderingsbesluit van de Belastingdienst niet rechtstreeks in beroep kunt gaan. In dit geval wil de ondernemer simpel gezegd eerder betaald belastinggeld terugkrijgen. Maar volgens Tekstra heeft dit weinig kans van slagen: „In een civiele procedure moet je kunnen aantonen dat de overheid onrechtmatig heeft gehandeld. Dan moet je al gauw zo’n vijf tot tien vrijwel identieke gevallen hebben waarin wél kwijtschelding is verleend onder dezelfde omstandigheden.”
Wat Broekman in zijn brief doet gaat echt niet werken
Diana Jansen Fiscaal jurist
Ook speelt dat de Belastingdienst geheimhoudingsplicht heeft en dossiers van anderen niet mag delen. Jansen wijst erop dat dit betekent dat de ondernemer zelf het bewijs moet verzamelen: „Je moet concreet laten zien dat anderen in exact dezelfde situatie beter zijn behandeld. De bewijslast verschuiven naar de fiscus – wat Broekman nu doet – gaat echt niet werken.”
Politiek aan zet
Beide juristen achten de kans klein dat een rechter op basis van de huidige modelbrief een ondernemer compenseert. Tekstra: „De rechter zal concrete vergelijkingsmaterialen willen zien en vindt het lastig om achteraf brede, niet-onderbouwde verwijten te toetsen.’’ Daarmee blijft volgens de hoogleraar vooral de politieke route over. „Dit soort brieven heeft meer effect als lobbystuk richting Kamer en ministerie dan bij de rechter.”