In de praktijk merk ik dat veel bedrijven die met zzp’ers werken worstelen met dezelfde vraag: ‘Maar als het kabinet nu toch een andere koers kiest, moeten we dan niet gewoon even wachten?’ Die gedachte is begrijpelijk, maar niet terecht. Het coalitieakkoord is net verschenen, de Wet VBAR lijkt naar de achtergrond te verdwijnen en de Zelfstandigenwet wordt gepresenteerd als een alternatief dat eindelijk duidelijkheid moet brengen. Maar wie daar zijn beleid op pauze zet, mist iets essentieels: de praktijk staat niet stil.
De handhaving op schijnzelfstandigheid loopt door. De Belastingdienst (en rechter) toetst vandaag en morgen, totdat er daadwerkelijk nieuwe wetgeving is, aan het recht dat nú geldt. En dat recht biedt – hoe paradoxaal het misschien klinkt – juist ruimte om arbeidsrelaties goed en verdedigbaar in te richten. Die ruimte verdwijnt niet door nieuwe wetgeving, maar kan straks wel kleiner worden.
Lees ook: Wat er per 1 januari écht veranderde voor zzp’ers: verlenging zachte landing, maar ook boetes voor schijnzelfstandigheid
Wat wil het nieuwe kabinet precies?
Het kabinet kiest in hoofdlijnen voor de Zelfstandigenwet in plaats van de Wet VBAR. Dit is een initiatiefwetsvoorstel dat vorig jaar is gepresenteerd door de VVD, D66, CDA en SGP als tegenhanger van de Wet VBAR, waarop veel kritiek was. De gedachte daarachter is minder open normen en meer voorspelbaarheid vooraf. Waar de VBAR voortbouwt op bestaande rechtspraak en die probeert te verduidelijken, wil de Zelfstandigenwet een nieuw wettelijk toetsingskader introduceren.
Binnen dat kader wordt gewerkt met drie vaste toetsen.
een zelfstandigentoets (werkt iemand voor eigen rekening en risico, voert hij een eigen administratie, profileert hij zich als ondernemer, heeft hij voorzieningen getroffen voor arbeidsongeschiktheid en pensioen?);
een werkrelatietoets (is er vrijheid in werktijd en uitvoering, ontbreekt hiërarchische controle en is het daadwerkelijk de bedoeling van partijen om als zelfstandige samen te werken?);
een sectorale toets in combinatie met een rechtsvermoeden. Bijvoorbeeld bij lage uurtarieven en in bepaalde risicosectoren.
Het doel: vooraf zekerheid. Voldoe je aan alle criteria, dan zou je met vertrouwen als zelfstandige kunnen werken.
Meer rechtszekerheid is niet hetzelfde als meer ruimte
Die belofte van duidelijkheid klinkt aantrekkelijk, zeker voor opdrachtgevers die al jaren zoeken naar houvast. Maar hier zit ook de kern van de spanning. Want waar het huidige recht uitgaat van een ‘holistische toets’ – alle omstandigheden van het geval tellen mee, zonder vaste rangorde – kiest de Zelfstandigenwet nadrukkelijk voor een cumulatieve (gelijkwaardige) toets. Je moet aan álle criteria voldoen.
Dat is een fundamenteel verschil. Onder het huidige recht kunnen bepaalde criteria op zichzelf wijzen richting werknemerschap (zoals werken op locatie, hetzelfde werk doen als reguliere werknemers of gebruik van materialen van de opdrachtgever), maar worden gecompenseerd door andere zwaarwegende factoren die meer wijzen richting zelfstandigheid (zoals aantoonbaar ondernemerschap, vrije vervanging of het dragen van ondernemersrisico). Het totaalbeeld is doorslaggevend.
Onder een cumulatief wettelijk kader wordt die afwegingsruimte kleiner. Eén element dat niet klopt, kan fataal zijn. Dat betekent: mogelijk meer zekerheid vooraf, maar ook sneller de conclusie arbeidsovereenkomst. Het schrappen van het criterium ‘inbedding in de organisatie’ illustreert dat spanningsveld goed. Op papier lijkt dat een versoepeling. In de praktijk kan het echter worden gecompenseerd door strengere eisen op andere punten, juist omdat je overal moet ‘slagen’.
Lees ook: Mkb’er kan niet achterover leunen na Uber-uitspraak: ‘Beoordeling schijnzelfstandigheid blijft maatwerk’
Nieuwe wetgeving betekent geen einde aan interpretatie
Daar komt bij dat nieuwe wetgeving het debat niet beëindigt, maar verplaatst. Begrippen als ‘werken voor eigen rekening en risico’, ‘voldoende vrijheid’ of ‘adequate voorzieningen’ zijn geen wiskundige formules. Ook zij zullen door rechters moeten worden ingevuld. Dat kost tijd en leidt onvermijdelijk tot nieuwe jurisprudentie.
Bovendien: het wetgevingsproces is nog lang niet afgerond. Internetconsultatie, advies van de Raad van State, politieke behandeling en overgangsrecht maken dat invoering niet van vandaag op morgen plaatsvindt – áls zij er al komt. Tot die tijd blijft het huidige kader leidend.
Handhaving gebeurt nu – en kijkt vooral naar de praktijk
Wat in de tussentijd vaak wordt onderschat, is dat handhaving niet alleen begint (en eindigt) bij wetsartikelen, maar bij de feitelijke uitvoering. De Belastingdienst kijkt niet alleen naar contracten, maar naar hoe er dagelijks wordt samengewerkt.
In de praktijk zie ik telkens dezelfde spanningen terug:
een overeenkomst spreekt over autonomie, terwijl de zzp’er in de praktijk vaste werkdagen en -tijden heeft;
er is geen gezag afgesproken, maar wel dagelijkse aansturing en verplichte werkwijzen;
vervanging is contractueel mogelijk, maar feitelijk ongewenst of aan te strenge regels gebonden.
Dat zijn geen uitzonderingen, maar vaste patronen. En juist dáár zit het risico. Niet omdat zzp-inhuur per definitie onmogelijk is, maar omdat de onderbouwing niet klopt of niet consequent wordt doorgevoerd.
Uber als illustratie: onderbouwing maakt het verschil
Dat het huidige recht ruimte laat voor nuance, blijkt ook uit recente rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam. In de veelbesproken Uber-zaak oordeelde het hof, anders dan de rechtbank, dat de zes beoordeelde chauffeurs in die procedure wél als zelfstandige konden worden aangemerkt. Niet omdat Uber ineens een ander bedrijf was geworden, maar omdat het ondernemerschap van deze chauffeurs in het totaalbeeld zwaarder woog.
Belangrijk is ook wat het hof níét deed: het gaf geen algemeen oordeel over alle chauffeurs. Binnen één organisatie, met vergelijkbare werkzaamheden, bleek verschil mogelijk. Dat onderstreept precies het punt waar veel organisaties aan voorbijgaan: kwalificatie is geen automatisme. Het gaat er niet om óf je met zzp’ers mag werken, maar hoe je dit doet.
Dit arrest is geen vrijbrief en ook geen blauwdruk, maar laat wel zien dat keuzes ertoe doen. Hoe iemand zich profileert, hoe de samenwerking is ingericht en hoe consequent afspraken worden nageleefd, kan het verschil maken tussen zelfstandigheid en werknemerschap.
Lees ook: Boetes voor schijnzelfstandigheid vanaf nu: 10 bouwbedrijven moeten samenwerking met zzp’ers aanpassen
Moet je dan wachten of juist handelen?
De reflex om te wachten op ‘duidelijke regels’ is begrijpelijk, maar riskant. Nieuwe wetgeving zal onvermijdelijk nieuwe vragen oproepen. Ondertussen blijven zzp’ers nodig, neem je beslissingen over inzet, duur en inrichting van opdrachten en loop je risico’s als je dat ondoordacht doet.
Juist nu ligt er een kans. Het huidige kader biedt ruimte om arbeidsrelaties zorgvuldig vorm te geven. Die ruimte vraagt om keuzes en om onderbouwing, maar is er wel degelijk. Wie daar nu in investeert, staat straks sterker, óók als de wet verandert.
Zzp-inhuur is geen verboden terrein
Het coalitieakkoord biedt een interessante nieuwe richting, maar geen reden om op de handen te gaan zitten. Handhaving vindt plaats, het huidige recht geldt en de ruimte die daarin zit, kun je benutten. Zzp-inhuur is geen verboden terrein, maar vraagt om zorgvuldigheid.
Wie nu kiest voor een bewuste inrichting, plukt daar later de vruchten van. Met of zonder nieuwe wet.