Niels van der Neut is kenner van het complexe zzp-veld. Als assistent professor Labour Law aan de Universiteit van Amsterdam houdt hij zich al jaren bezig met deze materie. Hij juicht de voortvarende aanpak van Aartsen (VVD) toe. „Er wordt al jarenlang gesproken over wijzigingen, maar mede vanwege het instabiele politieke landschap komt er weinig van de grond. De praktijk heeft behoefte aan duidelijkheid en rust.”
Lees ook: Minister Thierry Aartsen geeft zelfstandigen en opdrachtgevers rust door Vbar te saneren
Aartsen gaat aan de slag met Wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Hij pakt het gedeelte rechtsvermoeden (R) op en verwijst de rest naar de prullenmand. Van der Neuts verwachtingen over de effectiviteit van dit rechtsvermoeden zijn bescheiden. „Werkenden met tarieven van minder dan 38 euro per uur moeten namelijk nog altijd zelf de grote stap naar de rechter zetten. Daarnaast kan een partij als de Belastingdienst geen beroep doen op dit rechtsvermoeden. Dat vind ik een gemiste kans, zeker omdat de werkende en zijn vertegenwoordiger zich vaak al kunnen beroepen op een rechtsvermoeden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst (art. 7:610a BW).”
Probleem is niet dat er regels komen, maar dat deze geen onderscheid maken tussen schijnzelfstandigen en bijverdieners
Pim Graafmans ceo van YoungOnes
Wat gebeurt er moet flexibele schil?
Pim Graafmans, medeoprichter en ceo van YoungOnes, werkt dagelijks met flexibele inhuur van bijverdieners. Hij breekt een lans voor deze zo broodnodige flexibele schil. „Laat één ding helder zijn: structurele schijnzelfstandigheid moet worden aangepakt. De bezorger die 40 uur per week voor één platform werkt onder algoritme-sturing? Die verdient werknemersrechten, pensioenopbouw, vakantiegeld, ontslagbescherming. Maar de student die gemiddeld 39 uur per jaar werkt? Die hoort niet in hetzelfde wettelijke kader. Het probleem is niet dat er regels komen, maar dat deze regels geen onderscheid maken tussen fulltime schijnzelfstandigen en echte bijverdieners.”
De oplossing ligt volgens Graafmans in twee heldere maatstaven die aansluiten bij bestaande regelgeving. „Gebruik de KOR-grens (Kleine Ondernemersregeling) van 20.000 euro omzet per jaar. Kleine ondernemers onder dit bedrag zijn vrijgesteld van btw-administratie. Deze bewezen regeling kan ook dienen als scheidslijn tussen fulltime zzp’er en bijverdiener. Wie structureel 40 uur per week werkt, komt ruim boven 20.000 euro uit. Échte bijverdieners blijven daaronder.”
„Ten tweede: een urencriterium van maximaal 832 uur per opdrachtgever per jaar – oftewel 16 uur per week. Deze grens is niet willekeurig, maar gebaseerd op de bestaande uitzondering voor studenten bij het verbod op oproepcontracten. Politici keurden deze grens al goed voor studenten. Waarom niet consistent toepassen? Wie onder beide grenzen blijft, moet eenvoudig als zelfstandige kunnen werken. Zonder dat het rechtsvermoeden van 38 euro per uur automatisch geldt.”
Oplossing vinden in het Belgische model
Aartsen schrapt dus het VBA-deel dat op termijn vervangen moet gaan worden door de Zelfstandigenwet. Samen met SGP, CDA en D66 werkte hij als Kamerlid aan deze initiatiefwet. Is de zzp’er daarmee beter af, vraagt Van der Neut zich af? „Het is nu nog te vroeg om daar iets over te zeggen. Als ik kijk naar het eerste concept, is er nog wel werk aan de winkel.” Hij komt met een voorbeeld: „Om door de Zelfstandigentoets heen te komen, moet de werkende onder andere een adequate voorziening tegen arbeidsongeschiktheid hebben getroffen, en voorzien in een proportionele bijdrage voor pensionering. Wat is adequaat? Wat is proportioneel? Dit zijn open normen die opnieuw tot onduidelijkheid kunnen leiden.”
Als ik kijk naar het eerste concept van de Zelfstandigenwet, is er nog wel werk aan de winkel
Niels van der Neut assistent professor Labour Law aan de Universiteit van Amsterdam
,,Bovendien is mij nog onbekend of de werkende deze voorzieningen alleen moet hebben op het moment dat hij een overeenkomst met een werkverschaffer aangaat, of gedurende de gehele samenwerking. Het eerste zou betekenen dat de werkende gedurende de samenwerking niet langer maatregelen heeft genomen waar hij wel op wordt afgerekend. Dit zou gemakkelijk kunnen worden opgelost naar Belgisch voorbeeld: één systeem van sociale zekerheid voor alle werkenden. Dat laatste zou betekenen dat de werkverschaffer continu moet weten of de werkende deze voorzieningen nog wel heeft.”
Lees ook: Kabinet wil ondanks forse kritiek vaart maken met verplichte verzekering voor zelfstandigen