Nieuws Marketing

Hotelondernemer Arjen van den Hof houdt van moeilijke plekken

Arjen van den Hof weet hoe het is om hotelier in hartje Amsterdam te zijn, met elf vestigingen van zijn Vondel Hotels. Hotelhetze of niet, hij bouwt door, schrijft Het Parool.

Herman Stil | Foto: Charlotte Odijk 23 november 2016

Het is modderig en miezerig in de achtertuin van wat ooit houthandel Van de Vijsel was. Alleen de gevel rest nog van het pand dat stamt uit de tijd dat de Overtoom ‘buiten de stad’ lag. Nu wordt er gebouwd, aan Hotel Overtoomse Houthandel. Midden in een stad die het niet op nieuwe hotels lijkt te hebben, pal in de binnentuin tussen de woningen en de bedrijven. Van de Vijsel is een van de langslependste hotelprojecten die Amsterdam kent. Nadat houtverkoop aan de drukke Overtoom onmogelijk was geworden, is sinds 1999 gewerkt aan plannen op deze droomplek voor hoteliers, zo vlak bij het Leidseplein. Maar een hotel op deze plek is tegelijkertijd een nachtmerrie voor politici en omwonenden, die de plannen tot aan de rechter hebben bevochten.

Paviljoens

De strijd is gestreden, getuige de kelderverdiepingen die momenteel in de modderige grond zakken. De krakkemikkige, brandgevaarlijke houten loodsen die hier vele decennia hebben gestaan, zijn weggehaald. Als een schaduw van de oorspronkelijke bebouwing komen er vijf paviljoens voor terug, onderling verbonden door een binnengang. Sommige zijn drie verdiepingen hoog, andere vijf. Het hotel krijgt 82 kamers. Alleen de oorspronkelijke buitengevel blijft behouden, en het verkoopkantoor, ooit benoemd tot monument in een poging de hotelplannen tegen te houden.

"Amsterdam is een prachtige stad om in te bouwen", zegt Arjen van den Hof (51) van Vondel Hotels, die het hagelwit van zijn sneakers offert aan de novembermodder, terwijl hij de bouwwerkzaamheden gadeslaat. "Zeker als het oude gebouwen zijn waar je eigenlijk niets anders meer mee kunt dan er een hotel van maken."

"Met oude gebouwen heb je te maken met allerlei beperkingen en grenzen. De omvang van je kamers, de ligging. Ik vind dat een uitdaging. Elk hotel is daarmee anders, aangepast aan het gebouw en aangepast aan de locatie. Daardoor passen mijn hotels veel beter in de buurt dan een ketenhotel, ook omdat je bezig bent waar andere mensen wonen. Ik ga geen gevecht aan met overheid of omwonenden, ik wil het in overleg doen."

Zoals aan de Plantage Middenlaan, waar Van den Hof Hotel de Jonker bouwt, in een leegstaande slagerij. "Het kwam toevallig op mijn pad. Met vijftien kamers is het eigenlijk te klein voor een hotel, maar dan denk ik net zo lang na tot ik weet hoe het wel kan. Als appartementenhotel met in elke kamer een keukenblok lukt het wel." Of tussen Geldersekade en Zeedijk, waar hij ondanks aanhoudend bewonersverzet nog altijd met nv Zeedijk en winkeliersfamilie Dun aan een ‘Aziatisch’ hotel werkt.

Onmogelijke panden

Dertien jaar geleden nam Van den Hof (51) in de Vondelstraat een hotel over dat zou uitgroeien tot naamgever van zijn hotelgroep. In een voormalig kantoorpand, even verderop in de Vondelbuurt, volgde Hotel Roemer. "En toen ging ik in 2007 aan de slag met Hotel De Hallen. Iedereen verklaarde me vooraf voor gek. Nu komen ze allemaal kijken." Met De Hallen vestigde Vondel Hotels zijn naam als ombouwer van onmogelijke panden en hotels op plekken die anderen onaantrekkelijk of te klein vinden.

"Als je een hotelketen bent, doe je dit soort dingen niet. Dan ga je uit van standaarden. Ik doe het tegenovergestelde. Voor mij begint het pas als het lastig is." Dat het hotelverzet hem daarbij volgt, vindt hij logisch, omdat volgens hem lange tijd veel op zijn beloop is gelaten. "Ik woon zelf in de binnenstad en ik begrijp niet dat er nog hotels zijn die zich helemaal niets aantrekken van hun omgeving. Ik luister naar elke klacht, zeker over overlast. Aan de Prinsengracht had ik eerst een shortstaycomplex met achtpersoonskamers en balkons. Dat leverde herrie op. Ik heb ze verbouwd naar vierpersoonsappartementen en de balkons afgesloten."

"Het is goed dat nu geprobeerd wordt de balans in de stad te herstellen. Het betekent echter ook dat er hier voor mij steeds minder mogelijk zal zijn. Daarom ben ik nu bezig buiten Amsterdam. In Leiden gaan we een hotel met zeventig tot tachtig kamers en twintig appartementen beginnen in de oude silo van De Meelfabriek. En ik kijk al naar andere steden."

"Dat is een risico. Leiden zal nooit zo goed draaien als Hotel Overtoomse Houthandel, maar de investering per kamer is hetzelfde. De cijfers zullen zwart zijn, anders begin ik er niet aan, maar ik ga niet naar elke stad. Toen ik begon heb ik me voorgenomen: zeven hotels, meer niet. Daar ben ik nu overheen. Ik heb het gevoel dat we door moeten gaan naar twintig."