Nieuws Marketing

Komt die stad ooit af?

Hoe bouw je een gebombardeerd centrum op? Eerst de economie, dan volgt de rest vanzelf, toch...

Ben Maandag 14 maart 2016

Rotterdam3

Wie een indruk wil krijgen van hoe de stad erbij lag net na de oorlog, moet eens een kijkje nemen in het onlangs geopende Museum Rotterdam, schrijft het AD. Daar hangt, als onderdeel van de expositie De nieuwe stad, een geborduurde plattegrond van het centrum van Rotterdam in 1947. Het is een kale vlakte zonder gebouwen, doorkruist door een eenzaam spoorwegviaduct. In ouderwetse letters heeft Maria van Hemert, vervaardigster van het werk, enkele opbeurende regels van de Rotterdamse dichter Jan Prins geborduurd: 'De stad, zoo gruwelijk verbrand De stad, die alles werd ontnomen Zal 't alles ook te boven komen zich werende met hand en tand.'

Hoewel het op de plattegrond nauwelijks is te zien - alleen wat kranen rechtsonder duiden op bouwactiviteit - is de wederopbouw van de stad in 1947 in volle gang. Het 'Basisplan voor den herbouw van de binnenstad van Rotterdam' ligt klaar, maar het herstel van de zwaar getroffen haven en de bouw van nieuwe bankgebouwen aan onder meer de Blaak krijgen voorrang. De prioriteit ligt bij het economisch welzijn. Is dat eenmaal op gang, dan zal de rest vanzelf volgen.

Er gaat nogal wat vooraf aan het Basisplan, dat tot in de jaren '70 leidraad is voor het herstel van het stadscentrum. Al enkele dagen na het bombardement op 14 mei 1940 gaat stadsarchitect Willem Witteveen in de gemeentebibliotheek aan de slag met het maken van plannen voor een nieuwe binnenstad. Hij baseert zich daarbij op de Amerikaanse manier van stedenbouw, waarbij wonen en werken (en winkelen) gescheiden zijn. Hij is daarmee in 1944 al ver gevorderd en heeft bekende architecten opdracht gegeven delen van de nieuwe plattegrond volgens zijn richtlijnen verder in te vullen.

Wirwar van stegen

De plannen sijpelen door naar het Rotterdamse bedrijfsleven en worden daar met argwaan ontvangen. De industriëlen zien op papier een nieuwe stad die zich nauwelijks onderscheidt van de weggevaagde binnenstad met haar wirwar van sloppen en stegen, iets waar ze al ver voor de oorlog vanaf wilden. Witteveen wordt de wacht aangezegd en vertrekt diep teleurgesteld uit Rotterdam. Zijn assistent Cornelis van Traa is gevoeliger voor de wensen uit industriële hoek en past de plannen van Witteveen aan. Brede verkeerswegen en ruimte voor grote kantoren dringen de opbouwplannen binnen.

Het worden de uitgangspunten voor het Basisplan: de binnenstad is er vooral om in te werken, winkelen en uit te gaan. Met dit motto wordt de lege stadsvlakte te lijf gegaan. Dat uit zich in de eerste jaren na de oorlog in opzienbarende gebouwen waar de zakelijkheid en dadendrang vanaf spatten: het Groot Handelsgebouw van architect H. Maaskant, nog altijd prominent naast Rotterdam Centraal, en het Bouwcentrum van J.W.C. Boks, tegenwoordig hoofdkantoor van woningcorporatie Vestia.

Want dat is de wederopbouw ook: een intensieve propagandamachine. De boodschap luidt dat daadkracht en onverzettelijkheid, gecombineerd met matigheid, ingetogenheid en soberheid, de belangrijkste voorwaarden zijn om het oorlogsleed te boven te komen. Dat geldt voor het gehele land, maar voor Rotterdam in het bijzonder. De blik is vooruit gericht, de inspanning heroïsch. Niet voor niets schenkt koningin Wilhelmina de stad in 1948 de spreuk 'Sterker door strijd'.

Zakelijke metropool

Zo wordt de wederopbouw een enorme stedenbouwkundige operatie, die eigenlijk al veel eerder in gang is gezet. Vanaf het moment, eind 19de eeuw, dat het nieuwe spoorviaduct het toenmalige stadscentrum onaantrekkelijk maakt, is er een groot verlangen naar een overzichtelijke, zakelijke metropool die kan wedijveren met andere wereldsteden. Het centrum wordt meer naar het westen verlegd, weg van de spoorlijn. Aan de inmiddels gedempte Coolsingel verrijzen een nieuw stadhuis, een postkantoor en een beursgebouw. De volkse Zandstraatbuurt wordt daarvoor platgegooid - vele jaren voordat ook maar één Duits oorlogsvliegtuig koers zet naar Rotterdam.

Met de wederopbouw kan het ideaal van de zakelijke wereldmetropool worden benaderd. Het modernisme, de nieuwe architectuurstroming die licht, lucht en ruimte propageert, sluit goed aan bij realisering van dit ideaal. Warenhuizen als V&D, C&A en de Bijenkorf worden opgetrokken, het Hilton-hotel aan het Hofplein geeft de stad een chique uitstraling. Heipalen dreunen voor de bouw van een nieuw centraal station met daarnaast een stationspostkantoor. De Grote of Sint-Laurenskerk is het enige bouwwerk dat in oude luister wordt hersteld.

Centraal station, 1957

Langs de Coolsingel worden kantoorpanden gebouwd. Rotterdam staat symbool voor noeste arbeid: draaiende betonmolens, dansende bouwkranen en, natuurlijk, hoog opgestroopte mouwen. Manifestaties als Ahoy' (1950), E55 (1955), waaraan de stad de Energiehal dankt, en de Floriade (1960) met de bouw van de Euromast, zijn de tastbare bewijzen van Rotterdamse dadendrang.

Blij en tevreden

Al die arbeid blijft niet onopgemerkt. De Lijnbaan is een nog nooit vertoonde winkelpromenade zonder verkeer. Van heinde en verre komen architecten zich aan deze creatie vergapen om deze in hun thuisland te imiteren. Wonen is ook onderdeel van de Lijnbaan, maar vooral niet te veel. Het Basisplan voorziet in slechts achtduizend woningen. In uitbreidingswijken als Pendrecht, Zuidwijk, IJsselmonde, Overschie, Schiebroek en (Prins) Alexanderpolder rijdt het bouwverkeer af en aan. Er verrijzen duizenden goedkope woningen, waarin door woningnood geplaagde gezinnen tevreden hun intrek nemen.

Een nieuwe universiteit en een metro mogen in zo'n stad van formaat niet ontbreken. Rotterdam zet alles op alles om als eerste Nederlandse stad een ondergrondse te laten rijden. Dat de Coolsingel daardoor jarenlang openligt, wordt voor lief genomen.

Maar is dit nu die gedroomde binnenstad? Het resultaat valt eigenlijk tegen. In een stadscentrum waarin alleen maar wordt gewerkt, kan het na 17.00 uur erg stil zijn. 'Op de Lijnbaan kun je na zessen een kanon afschieten zonder iemand te raken,' luidde het rauwe Rotterdamse commentaar op het nieuwe stadshart. Er ontbreekt iets, stellen ook de eerste sociologen van de Erasmus Universiteit vast: stadsbewoners.

Inhaalslag

Om het imago van die ongezellige Rotterdamse binnenstad te veranderen, is een omvangrijke inhaalslag nodig. In de jaren '70 blijken de uitgangspunten van het Basisplan uitgewerkt. Om het centrum levendiger te maken, komt een woningbouwstroom op gang; van de waterwoningen aan het Haagseveer tot de opzichtige kubuswoningen die architect Piet Blom ontwerpt als overbrugging van de Blaak, een van de drukste verkeersaders van de nieuwe binnenstad.

Het kantelpunt is halverwege de jaren '80, als de hoogbouw wordt herontdekt. Aanvankelijk kiezen vooral bedrijven voor hoogbouw, tot wethouder Mentink (1974-1980) hen een halt toeroept met de woorden dat de Shell-toren aan het Hofplein 'de laatste erectie van het grootkapitaal' moest zijn. Maar nu blijkt hoogbouw zich ook goed te lenen voor woningen. Langs Weena, Coolsingel, Wijnhaveneiland en de Kop van Zuid schieten kantoor- en woontorens omhoog, die de skyline van de stad voor altijd zullen veranderen: Rotterdam is nu architectuurstad bij uitstek.

Die ontwikkeling werpt vooral de laatste jaren ongekende vruchten af. Befaamde wederopbouw-iconen, zoals het C&A-gebouw aan het Beursplein en het Centraal Station, hebben al plaatsgemaakt voor nieuwe succesnummers als De Beurstraverse (in goed Rotterdams: De Koopgoot) en het nieuwe Rotterdam Centraal. Andere zijn na renovatie aan een tweede leven begonnen. Nieuwe iconen als de Markthal en De Rotterdam - met daarin kantoren, woningen, horeca en hotel - vormen de voorlopige bekroning van de wederopbouwperiode. Met een dikke streep 'voorlopig', want de Rotterdammer houdt graag vast aan het adagium: 'Die stad komt nooit af'. Dat geldt eveneens voor de wederopbouw: ook die komt nooit af.