Blog Wet- en regelgeving

Column ondernemersrecht: turbo liquidatie

Af en toe stuit ik op een uitspraak die op het eerste gezicht lastig uit te leggen valt. Zoals de bestuurder die een vennootschap leeghaalde, de schuldeiser met niets achterliet en ermee weg kwam...

Erik van Loon 23 september 2019

Ondernemers recht turbo liquidatie

B.V. X koopt diensten in bij Y, maar kan deze niet betalen. Y start een procedure en wint, maar in de tussentijd heeft X haar activiteiten overgeheveld naar een andere vennootschap. X, dat inmiddels een lege huls is geworden, wordt vervolgens geliquideerd en houdt op te bestaan. Y blijft met lege handen achter en start een tweede procedure. Dit keer tegen de bestuurder van X. Y is van mening dat deze bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld. De vraag is dan of deze vormen van 'liquidatie' en 'turbo-liquidatie' zijn toegestaan.

Als het bestuur beslist tot ontbinding van een vennootschap wordt normaal gesproken het vermogen van de vennootschap vereffend: te gelde gemaakt om alle schuldeisers zoveel mogelijk te betalen. De vennootschap houdt daarna op te bestaan en de liquidatie is een feit. Echter, indien er geen vermogensbestanddelen aanwezig zijn ten tijde van de ontbinding, kan de vereffening worden overgeslagen. De vennootschap houdt dan direct op te bestaan.

Men spreekt in dat geval van een 'turbo-liquidatie'. Deze middelen hebben iets weg van een faillissement, waarbij ook alle vermogens- bestanddelen te gelde worden gemaakt en de schuldeisers zoveel mogelijk worden voldaan. Het verschil is dat er geen curator aan te pas komt. De vereffening wordt vaak gedaan door het bestuur zelf. Het grote nadeel is dat de schuldeisers veelal berooid achterblijven, terwijl zij geen enkel zicht hebben op de liquidatie.

Een vraag die mij geregeld wordt gesteld, is of dit zomaar kan. Helaas is het antwoord 'ja'. Alleen in uitzonderlijke gevallen is de bestuurder van de geliquideerde vennootschap aansprakelijk jegens de schuldeiser. De hiervoor aangehaalde uitspraak is daarvan een goed voorbeeld. In eerste aanleg wijst de rechter de vorderingen van Y toe, omdat de bestuurder de vordering van de Y onverhaalbaar heeft gemaakt.

Het gerechtshof is een andere mening toegedaan. Vereenvoudigd weergegeven overweegt het gerechtshof dat alle goederen en vorderingen van X waren verpand aan de holdingmaatschappij. De waarde van de activiteiten zou onder de werking van dat pandrecht nimmer bij Y terecht zijn gekomen, zodat zij niet in haar verhaals-mogelijkheden is benadeeld. Om die reden valt de bestuurder volgens het gerechtshof geen persoonlijk ernstig verwijt te maken en is geen sprake van onrecht-matig handelen. Het gerechtshof wijst de vorderingen van Y af.

Portretje

Erik van Loon

Erik van Loon is advocaat Ondernemersrecht bij Asselbergs & Klinkhamer. Heb je ook een vraag voor Erik? Ga naar ak-advocaten.eu.