Het afgelopen jaar wezen veel ondernemers zzp’ers rigoureus de deur. Vaak gehoorde reden: ‘zzp kan niet meer’. Te veel gedoe en te veel risico. De reden hiervoor is inmiddels bekend: de handhaving op schijnzelfstandigheid door de Belastingdienst. De handhaving is begonnen, de eerste (flinke) naheffingen stonden in de krant, maar toch weten veel ondernemers nog steeds niet waar ze precies aan toe zijn. En dus koos men voor de ‘veilige’ weg.
Het kabinet reageert daar nu op met een campagne onder de noemer 'Zo kan zzp wél'. De boodschap is opvallend direct: opdrachtgevers sluiten soms deuren die helemaal niet dicht hoeven. Niet omdat de wet het verbiedt, maar omdat de onzekerheid te groot voelt.
Dat is een eerlijke constatering. Maar het roept meteen een belangrijkere vraag op: als de regels niet zijn veranderd, waarom deed iedereen dan ineens zo voorzichtig?
Lees ook: Eindelijk plek in de wet en einde aan schijnzelfstandigheid? Minister Aartsen: ‘Zzp’er is geen boeman’
‘Zzp kan wél’: wat betekent dit in de praktijk?
De afgelopen jaren werd het debat over zzp’ers vooral gedomineerd door wat níet meer kan. Handhaving, schijnzelfstandigheid, risico’s. Dat had effect. Niet alleen op papier, maar vooral in gedrag. Opdrachtgevers werden voorzichtiger. In sommige gevallen zelfs zó voorzichtig dat zzp’ers bij voorbaat werden uitgesloten. De gedachte hierachter is (te) simpel: geen zzp’ers, dan ook geen risico.
Het kabinet probeert die beweging nu te kantelen. Met de campagne ‘Zo kan zzp wél’ kiest het expliciet voor een andere invalshoek: niet langer de vraag óf het kan, maar wanneer en hoe het kan. Tegelijkertijd blijft de inzet op handhaving onverminderd bestaan. Dat tweesporenbeleid – ruimte én toezicht – is logisch, maar vraagt in de praktijk wel om duiding.
Want wat betekent dit nu concreet voor organisaties die met zzp’ers werken?
Geen nieuwe regels, wél nieuw gedrag
Laat ik beginnen met wat níet verandert. De juridische basis voor de beoordeling van arbeidsrelaties is nog steeds dezelfde. Die ligt niet in de Wet DBA, zoals vaak ten onrechte wordt gedacht, maar in de open norm van art. 7:610 BW: is er sprake van arbeid, loon en een gezagsverhouding? Dan is er ook sprake van een arbeidsovereenkomst – en dus schijnzelfstandigheid. Die norm wordt verder ingevuld door jurisprudentie, waarbij alle omstandigheden van het geval in samenhang worden beoordeeld (de ‘holistische toets’).
Met andere woorden: er zijn geen nieuwe regels gekomen die ineens verklaren waarom iets wel of niet mag.
Toch zien we een duidelijke terugloop in het aantal zzp’ers. Het CBS registreerde in 2025 een daling van 62.000 zelfstandigen – voor het eerst in jaren. Die daling wordt vaak toegeschreven aan ‘strengere regels’. Maar dat beeld klopt niet helemaal. Er wordt weliswaar gehandhaafd, maar de regels zijn in de kern niet veranderd. Wat wél verandert, is het gedrag van opdrachtgevers. Angst voor handhaving, onzekerheid over de juiste inrichting en gebrek aan de juiste kennis leiden ertoe dat organisaties soms kiezen voor de ogenschijnlijk veilige weg: geen zzp’ers meer. En juist dat is waar het kabinet nu op reageert.
‘Zzp kan wél’ is geen versoepeling, maar het wegnemen van onnodige angst
De campagne ‘Zo kan zzp wél’, die deze zomer van start gaat, moet onnodige terughoudendheid wegnemen. Volgens minister Aartsen van Werk en Participatie, sluiten opdrachtgevers nu soms deuren die helemaal niet dicht hoeven. Niet omdat het juridisch niet kan, maar omdat er een gevoel van onduidelijkheid en angst heerst.
Dat is een belangrijk onderscheid. De campagne introduceert geen nieuwe ruimte. Die ruimte was er al. Zij maakt die ruimte alleen zichtbaarder. Dat zie je ook terug in de aanpassing van de webmodule beoordeling arbeidsrelatie. Daarin krijgt extern ondernemerschap – het ondernemerschap van de werkende buiten de specifieke opdracht – een prominentere rol. Dat sluit aan bij recente jurisprudentie, waarin is bevestigd dat dit gezichtspunt volwaardig moet worden meegewogen.
Het is een subtiele, maar belangrijke verschuiving. Want waar de focus lange tijd lag op de arbeidsrelatie zelf (hoe wordt het werk uitgevoerd?), komt er nu meer aandacht voor de positie van de zelfstandige als ondernemer (hoe opereert iemand in het economisch verkeer?).
Lees ook: Van Wet VBAR naar Zelfstandigenwet: komt er meer duidelijkheid of is er juist minder ruimte voor zzp-inhuur?
De praktijk is minder zwart-wit dan vaak wordt gedacht
Dat die bredere blik relevant is, blijkt ook uit de praktijk. Uit data van meer dan 1600 zelfstandigentoetsen blijkt dat meer dan 90 procent van de zelfstandigen daadwerkelijk ondernemersrisico draagt, investeert in de eigen onderneming en een administratie voert. Dat betekent niet dat er geen schijnzelfstandigheid bestaat. Of dat al deze zzp’ers ook écht zelfstandig zijn. Extern ondernemerschap is ‘slechts’ één van de criteria waarop wordt getoetst, maar kan wel een heel belangrijke rol spelen.
Het beeld dat een groot deel van de zzp’ers “eigenlijk werknemer” is, klopt dus maar ten dele. Het CPB schat dat circa 260.000 zelfstandigen juridisch als werknemer moeten worden beschouwd — dat is reëel en verdient aanpak. Maar er zijn ruim een miljoen zzp’ers actief. De rest van de markt heeft niets te vrezen, mits de samenwerking goed is ingericht.
Waar wordt nu écht op getoetst?
Om die onzekerheid weg te nemen, is het belangrijk om terug te gaan naar de kern. Niet naar politieke plannen of toekomstige wetgeving, maar naar de vraag: waar wordt vandaag op getoetst?
Dat is artikel 7:610 BW, ingevuld door jurisprudentie. De Belastingdienst en de rechter kijken naar het totaalbeeld van de arbeidsrelatie. Daarbij spelen onder meer de volgende elementen een rol:
de mate van gezag en aansturing;
de vrijheid in de uitvoering van het werk;
de organisatorische inbedding;
en – steeds nadrukkelijker – het ondernemerschap van de werkende zelf.
Het recente Uber-arrest illustreert dat goed. Het gerechtshof oordeelde dat zes chauffeurs geen arbeidsovereenkomst hadden, juist vanwege hun sterke mate van ondernemerschap. Niet omdat de werkzaamheden anders waren, maar omdat het totaalbeeld anders uitviel.
Dat laat zien dat de beoordeling niet zwart-wit is. Binnen één en dezelfde organisatie kunnen verschillende uitkomsten mogelijk zijn, afhankelijk van hoe de samenwerking is ingericht en onderbouwd.
Handhaving blijft – en dat is ook logisch
Tegelijkertijd is het belangrijk niet door te slaan naar de andere kant. ‘Zzp kan wél’ betekent niet dat alles ineens mag. Het kabinet benadrukt expliciet dat handhaving blijft bestaan. Sterker nog: die handhaving heeft volgens de minister juist geleid tot meer bewustwording en betere naleving.
Dat is ook logisch. Zonder handhaving verworden regels al snel tot een papieren werkelijkheid. Dat hebben we in het verleden gezien onder het handhavingsmoratorium. Die oude situatie is juist een van de oorzaken van de huidige onrust en onduidelijkheid.
De uitdaging zit dus niet in het kiezen tussen ruimte of handhaving, maar in het combineren van beide. En precies daar ontstaat in de praktijk de spanning.
De echte vraag: hoe richt je het goed in?
Voor opdrachtgevers ligt de sleutel niet alleen in het volgen van politieke ontwikkelingen, maar in het begrijpen van de huidige beoordelingskaders. Want die bepalen uiteindelijk of een samenwerking standhoudt.
Het kabinet werkt ondertussen aan een Zelfstandigenwet die vooraf meer duidelijkheid moet geven over wanneer iemand als zelfstandige kan worden ingehuurd. Dat klinkt aantrekkelijk, maar die wet is er nog niet, en de arbeidsmarkt draait door. Organisaties die nu wachten op duidelijkheid van bovenaf, missen ondertussen kansen. Want de kaders zijn er al: ze staan in de jurisprudentie, in het toetsingskader van de Belastingdienst en in de uitspraken van de Hoge Raad en lagere rechters van de afgelopen jaren.
Wie die kaders begrijpt en zijn samenwerkingen daarop inricht, kan vandaag al met vertrouwen werken met zzp’ers — zonder te wachten op een wet die het gevoel van zekerheid moet geven dat er in de praktijk al is.
Er is meer mogelijk dan je denkt
Het is logisch dat organisaties moeten wennen aan de huidige handhaving en dat regels niet altijd even duidelijk voelen. Maar de terugloop van zzp’ers is geen direct gevolg van nieuwe wetgeving, die er simpelweg nog niet is. Het is vooral een reactie op onzekerheid. Deels terecht, omdat de regels niet in beton zijn gegoten, maar lang niet altijd goed verdedigbaar.
De boodschap van het kabinet – ‘zzp kan wél’ – is daarom geen versoepeling, maar een uitnodiging om opnieuw te kijken naar wat er al mogelijk is. En dat is meer dan vaak wordt gedacht.
Lees ook: Nieuwe zzp-wetgeving Thierry Aartsen nog verre van perfect: ‘Uitkijken dat keuzes niet tot nieuwe onduidelijkheden leiden’